ECLI:NL:GHAMS:2006:AV1475
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.C. van Houten
- H.W. Koksma
- L.E.M. Hendriks
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt gezagsverhouding tussen werkgever en recreatiemedewerkers en veroordeelt tot boetes wegens niet-naleving Arbeidstijdenwet
In deze strafzaak ging het om de vraag of tussen de verdachte, exploitant van recreatieparken, en haar recreatiemedewerkers sprake was van een gezagsverhouding in de zin van de Arbeidstijdenwet. De medewerkers waren vrijwilligers en stagiairs die recreatieve activiteiten verzorgden onder leiding van een recreatieleidster in dienst van de verdachte.
Het hof stelde vast dat de recreatieleidster verantwoordelijk was voor het samenstellen van het recreatieprogramma, het aansturen van de medewerkers en het geven van aanwijzingen. De medewerkers waren verplicht een vrijwilligerscontract te tekenen en ontvingen een vaste vergoeding per week. Ondanks dat in de praktijk weinig persoonlijke aanwijzingen werden gegeven, was de gezagsverhouding aanwezig omdat de leidinggevende te allen tijde instructies kon geven en de vergoeding afhankelijk was van het uitvoeren van de werkzaamheden.
Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte niet voldeed aan de verplichting uit artikel 4:3 van Pro de Arbeidstijdenwet om een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden bij te houden. Dit ondanks eerdere waarschuwingen van de Arbeidsinspectie. Het hof veroordeelde verdachte tot geldboetes van respectievelijk €2.250 en €4.500 voor overtredingen in 2002 en 2003.
Het hof vernietigde het vonnis van de economische politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewijs en de strafbaarheid werden bevestigd. Het verweer dat er geen gezagsverhouding zou zijn en dat de registratie wel op orde was, werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot geldboetes wegens het niet deugdelijk registreren van arbeids- en rusttijden en het bestaan van een gezagsverhouding is bevestigd.