ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0661
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Indeling van gesproeidroogde vleesextractproducten onder het Gemeenschappelijk Douanetarief
Belanghebbende, een douane-expediteur, deed aangiften voor het vrije verkeer van producten die zij als vleesextracten onder post 1603 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT) had ingedeeld. De inspecteur stelde echter dat de producten, gezien hun samenstelling met aanzienlijke hoeveelheden zout en maltodextrine, niet als vleesextracten konden worden aangemerkt en daarom onder post 2106 90 98 van het GDT moesten worden ingedeeld.
Na diverse monsteronderzoeken en administratieve controles concludeerde de Douane dat de producten niet voldeden aan de criteria voor post 1603, mede omdat de toevoegingen niet uitsluitend ter conservering dienden, maar ook als dragers bij het sproeidroogproces. Belanghebbende voerde aan dat de producten wel vleesextracten waren en dat de navordering op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het Communautair Douanewetboek (CDW) achterwege moest blijven omdat de douane zich had vergist.
Het hof oordeelde dat de producten vanwege hun samenstelling en het doel van de toevoegingen niet onder post 1603 konden worden ingedeeld. Ook faalde het beroep op de uitsluitingsgrond van artikel 220 CDW Pro, omdat er geen vergissing van de douane was die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken. De navordering was derhalve terecht en de inspecteur mocht zich beroepen op interne compensatie binnen de uitnodigingen tot betaling. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de producten worden ingedeeld onder tariefpost 2106 90 98 van het GDT met in stand blijvende navordering.