ECLI:NL:GHAMS:2005:AU9233
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- D.J.M.W. Paridaens
- R.E. de Winter
- C. Fasseur
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep wegens overtreding emissievoorschriften bij gebruik dierlijke meststoffen
De verdachte werd beschuldigd van het niet-emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen volgens de FIR-methode, wat in strijd is met artikel 7 van Pro de Wet bodembescherming en het Besluit gebruik meststoffen. De FIR-methode houdt in dat mest bovengronds wordt uitgereden en niet wordt ondergewerkt, wat niet is toegestaan zonder vrijstelling.
De verdediging voerde aan dat de FIR-methode milieuvriendelijker is en dat de algemene zorgplicht uit artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming zwaarder zou moeten wegen dan de specifieke voorschriften. Tevens werd een beroep gedaan op het eigendomsrecht volgens het EVRM, stellende dat de verplichte methoden onrechtmatig inbreuk maken op dit recht.
Het hof verwierp deze verweren omdat het wettelijk systeem limitatief voorschrijft welke methoden zijn toegestaan en alleen vrijstellingen of ontheffingen daartoe ruimte bieden. De milieudoelstellingen en handhaafbaarheid rechtvaardigen de wettelijke beperkingen en er is geen disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht. De overtuiging van de verdachte over de milieuschade van de voorgeschreven methoden is onvoldoende om de overtreding te rechtvaardigen.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte op 3 maart 2003 dierlijke meststoffen niet-emissiearm heeft gebruikt en verklaarde het tenlastegelegde strafbaar. Gezien eerdere veroordelingen en de omstandigheden werd een geldboete van 400 euro opgelegd, met vervangende hechtenis van acht dagen bij niet-betaling.
Het vonnis van de economische politierechter werd vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 400 euro met vervangende hechtenis van acht dagen wegens het niet-emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen.