ECLI:NL:GHAMS:2004:BI6835
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Bijl
- R. Van Hilten
- M. Vrouwenvelder
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rekenkundige afrondingsmethode omzetbelasting in fiscale eenheid
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit onder meer een supermarktbedrijf, betwistte de toepassing van de rekenkundige afrondingsmethode bij de berekening van de omzetbelasting over oktober 2003. Specifiek stelde zij dat afronding naar de hogere eurocent in strijd zou zijn met Europese regelgeving en de Grondwet, omdat dit zou leiden tot een hogere belasting dan strikt evenredig is met het tarief.
Het Hof stelde vast dat de omzetbelasting per levering moet worden berekend en dat afronding op hele eurocenten onontkoombaar is vanwege de valuta-eenheid. De rekenkundige methode, waarbij bedragen van 0,5 of hoger worden afgerond naar boven, is volgens het Hof de meest aangewezen methode en wordt ook door de fiscale wetgever als uitgangspunt gehanteerd.
Het Hof wees het verweer van belanghebbende af, omdat een methode die altijd naar beneden afrondt niet strookt met het evenredigheidsbeginsel en kan leiden tot hogere belastingbedragen bij de berekening van de prijs inclusief omzetbelasting. Ook stelde het Hof dat het niet bevoegd is om de wettelijke bepalingen aan de Grondwet te toetsen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat de rekenkundige afrondingsmethode, ook bij afronding naar boven, in lijn is met de geldende Europese en nationale regels.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de toepassing van de rekenkundige afrondingsmethode voor omzetbelasting wordt ongegrond verklaard.