ECLI:NL:GHAMS:2004:AS6941
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek geruisloze inbreng onderneming onroerend goed in B.V. wegens liquidatie
Belanghebbende exploiteerde een onderneming in onroerend goed die tussen 1997 en 1999 alle panden heeft verkocht. De boekwinsten werden deels naar een vervangingsreserve geboekt, maar de onderneming had ultimo 1999 geen activa meer behalve een rekening-courantverhouding met belanghebbende privé.
Belanghebbende wilde per 1 december 2000 de onderneming geruisloos inbrengen in X Holding B.V., gevolgd door overdracht aan een dochter-B.V. De inspecteur weigerde deze geruisloze inbreng omdat het ingebrachte geen onderneming meer vormde. Het Hof stelde vast dat de onderneming feitelijk was geliquideerd in 1999 en dat er geen overtuigend bewijs was voor een vervangingsvoornemen in dat jaar. De aankoop van een perceel grond in 2001 door de B.V. was onvoldoende om voortzetting aan te nemen.
Het Hof concludeerde dat de onderneming in 1999 was gestaakt en dat toepassing van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet mogelijk was. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om geruisloze inbreng afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om geruisloze inbreng afgewezen omdat de onderneming in 1999 is gestaakt.