ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7037
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op arbeidskorting over wachtgelduitkering zonder tegenwoordige arbeid
Belanghebbende is in 1994 ontslagen door het Ministerie van A en ontving sindsdien een wachtgelduitkering van de uitkeringsinstantie B. In 2001 werd het ontslag vernietigd door de Centrale Raad van Beroep, waarbij werd vastgesteld dat de werkgever het achterstallige salaris moest betalen. Belanghebbende stelde dat hij in 2001 recht had op arbeidskorting omdat hij loon uit tegenwoordige arbeid genoot, mede doordat hij werkzaamheden verrichtte om het ontslag teniet te doen.
De inspecteur betwistte dit en stelde dat de inkomsten in 2001 voortvloeiden uit vroegere arbeid en dat de wachtgelduitkering gelijkgesteld moest worden met een pensioenuitkering. Het Hof bevestigde dat het bestaan van een dienstbetrekking niet doorslaggevend is voor de arbeidskorting, maar dat het verrichten van tegenwoordige arbeid vereist is. De werkzaamheden van belanghebbende in 2001 stonden te ver af van de dienstbetrekking.
Het Hof oordeelde dat de in 2001 ontvangen inkomsten uit de wachtgelduitkering voortvloeiden uit vroegere arbeid en niet uit tegenwoordige arbeid. De vernietiging van het ontslag in 2001 leidde niet tot het karakteriseren van de wachtgelduitkering als loon uit tegenwoordige arbeid. Daarom werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en werd geen arbeidskorting toegepast over 2001.
Uitkomst: Belanghebbende heeft geen recht op arbeidskorting over de wachtgelduitkering in 2001 omdat geen tegenwoordige arbeid is verricht.