ECLI:NL:GHAMS:2003:AN8977
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- De Vries
- Voncken
- Gonggrijp-Van Mourik
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens smaad en smaadschrift na beschuldiging van bomaanslag
Op 24 november 1999 ontsnapten verdachte en zijn vrouw ternauwernood aan een bomaanslag waarvan de dader(s) en het motief onbekend zijn gebleven. Verdachte, zwaar getraumatiseerd door deze gebeurtenis, beschuldigde herhaaldelijk publiekelijk een persoon, [D.], van betrokkenheid bij deze aanslag. Hij deed dit onder meer via een faxbericht aan persdiensten, een televisie-uitzending en een interview in een krant.
Verdachte beriep zich op artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, stellende dat zijn uitlatingen een noodzakelijke verdediging waren tegen een mogelijke nieuwe aanslag, gebaseerd op aanwijzingen die hij verzamelde. Het hof oordeelde echter dat deze aanwijzingen onvoldoende waren om te rechtvaardigen dat verdachte [D.] als dader aannam en dat zijn uitlatingen proportioneel en noodzakelijk waren.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een geldboete, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en kende een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij. Het hof vernietigde dit vonnis voor zover het oordeel betreft en legde een lagere geldboete op wegens overschrijding van de redelijke termijn. De civiele vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €500 wegens smaad en smaadschrift.