ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8496
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Onnes
- Steenbergen
- Van Vijfeijken
- Rechtspraak.nl
Beoordeling pensioenlichaam voor toepassing Successiewet 1956
Deze zaak betreft het beroep van belanghebbende tegen een aanslag in het recht van successie opgelegd door de inspecteur, na verwijzing door de Hoge Raad. De kern van het geschil is of de aandelen die belanghebbende hield in een vennootschap als pensioenlichaam kunnen worden aangemerkt volgens artikel 13a, vierde lid, van de Successiewet 1956.
Het Hof sluit aan bij de balans per 31 december 1995 om de toestand van de vennootschap te beoordelen, direct voorafgaand aan het overlijden van de pensioengerechtigde op 31 januari 1996. Uit de balans blijkt dat 83,57% van de bezittingen, exclusief het aandelenkapitaal, ter dekking van de pensioenverplichtingen dient, wat minder is dan de vereiste 90%.
De inspecteur stelde dat het gehele vermogen ter dekking van pensioenverplichtingen diende, maar het Hof oordeelt dat dit een onjuiste maatstaf is. Gezien deze bevindingen wordt de aanslag vernietigd en wordt de inspecteur veroordeeld in de proceskosten. Het Hof benadrukt dat de beoordeling van het pensioenlichaam moet plaatsvinden op de sterfdatum en dat de bezittingen voor 90% of meer moeten dienen ter dekking van pensioenverplichtingen.
Uitkomst: De aanslag successierecht wordt vernietigd omdat de vennootschap niet kwalificeert als pensioenlichaam.