Uitspraak
mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
mr. J.M. Beer.
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling van de zaak in hoger beroep
3.Beslissing
Het hof:
beidepartijen en de getuige in de maanden mei, juni en juli 2003;
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat medische aansprakelijkheid centraal waarbij de arts [X] wordt verweten een beroepsfout te hebben gemaakt door niet tijdig de ingezette procedure te staken en geen weeënremmende middelen toe te dienen aan [B], wat mogelijk tot herstel van de hartactie van het kind had kunnen leiden en een keizersnede mogelijk had gemaakt.
Het hof heeft in eerdere tussenarresten vastgesteld dat er voorshands sprake is van een beroepsfout en dat het causaal verband tussen het handelen van [X] en het letsel bij [C] in beginsel is gegeven. De bewijslast ligt nu bij [X] om aan te tonen dat het letsel ook zonder zijn gedraging zou zijn ontstaan.
[ X] heeft aangegeven tegenbewijs te willen leveren door het horen van een partijdeskundige, prof. dr. J. de Haan, en het overleggen van nadere bescheiden. Het hof wijst dit verzoek toe, ondanks het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling voor het horen van partijdeskundigen onder het oude procesrecht, en benoemt mr. M.A. Goslings als raadsheer-commissaris voor het verhoor van de getuige.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere procedurele afhandeling en het doen van opgave van verhinderdagen, waarna verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek toe om de partijdeskundige als getuige te horen en houdt verdere beslissingen aan.