ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1339
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Faase
- Van Ballegooijen
- Meussen
- Rechtspraak.nl
Bindendheid en fiscale behandeling van een trustovereenkomst in vermogensbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag vermogensbelasting 1998, waarbij het vermogen werd vastgesteld op basis van een trustovereenkomst met de Belastingdienst. De trust was opgericht door Y, die inkomsten aan belanghebbende zou uitkeren na haar overlijden, en de kinderen van Y als uiteindelijke begunstigden had.
Belanghebbende stelde dat zij niet gebonden was aan de trustovereenkomst omdat sprake was van een discretionary trust, waarbij zij geen afdwingbare rechten had, en dat de overeenkomst vernietigbaar was wegens dwaling. Het hof oordeelde echter dat de trust een fixed life interest trust was en dat partijen bewust een vaststellingsovereenkomst sloten om fiscale onzekerheden te beëindigen.
Het hof verwierp het beroep op dwaling en vernietiging, en stelde vast dat de trustovereenkomst niet in strijd was met dwingend recht of openbare orde. De waarde van het vruchtgebruik werd vastgesteld op basis van periodieke uitkeringen, waarbij het voordeel in de inkomstenbelasting werd meegewogen tegen het nadeel in de vermogensbelasting.
De aanslag werd verminderd tot een vermogen van ƒ 1.166.000, rekening houdend met de Engelse successierechten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk waren gemaakt die tot een ander vertrouwen konden leiden. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De aanslag vermogensbelasting 1998 wordt verminderd tot een vermogen van ƒ 1.166.000 en de trustovereenkomst wordt als bindend beschouwd.