ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0073
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Onnes
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag vennootschapsbelasting na inbreng onderneming in werkmaatschappij
Belanghebbende bracht haar onderneming per 1 januari 1991 in een nieuw opgerichte werkmaatschappij in. De inspecteur legde aanvankelijk een aanslag vennootschapsbelasting op over 1991, waarbij de winst uit de inbreng werd belast. Na beroep oordeelde het Hof dat de winst pas in 1992 belast moest worden. Naar aanleiding hiervan legde de inspecteur een navorderingsaanslag op voor 1992.
De kern van het geschil betrof de bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van de navorderingsaanslag, het al dan niet ontbreken van een nieuw feit en de vraag of belanghebbende te kwader trouw was. Het Hof stelde vast dat de aanslag werd opgelegd door het hoofd van de eenheid Belastingdienst, die bevoegd was, ook al ontbrak een schriftelijke mandaatverlening aan de inspecteur die de aanslag ondertekende.
Verder oordeelde het Hof dat de inspecteur redelijkerwijs niet bekend kon zijn met het feit dat de winst pas in 1992 moest worden belast op het moment van de primitieve aanslag. Belanghebbende had niet de intentie om te weinig belasting te betalen, ondanks het niet verstrekken van volledige informatie. Wel was sprake van ambtelijk verzuim doordat de inspecteur geen interne compensatie toepaste bij de uitspraak op bezwaar. De heffingsrente was terecht in rekening gebracht.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de inspecteur, verminderde de navorderingsaanslag en heffingsrente, en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het Hof vermindert de navorderingsaanslag en heffingsrente wegens ambtelijk verzuim en verklaart het beroep gegrond.