ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2350
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Boersma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsrente bij late oplegging voorlopige aanslag inkomstenbelasting 1997
Belanghebbende had in 1998 een belastbaar inkomen over 1997 aangegeven en later een suppletie-aangifte ingediend met een hogere stakingswinst. De inspecteur legde in juli 2000 de aanslag definitief op en bracht heffingsrente in rekening. Belanghebbende stelde dat de heffingsrente onterecht was omdat de aanslag te laat was opgelegd.
Het hof overwoog dat de inspecteur medio december 1999 over alle benodigde gegevens beschikte en dat de wettelijke regeling van artikel 30f en volgende van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geen ruimte biedt om heffingsrente achterwege te laten alleen omdat de aanslag eerder had kunnen worden opgelegd. Ook is het in rekening brengen van heffingsrente niet in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur.
Belanghebbende had niet uitdrukkelijk verzocht om een volgende voorlopige aanslag, waardoor zijn situatie niet onder het Besluit van 27 september 2000 valt. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag met heffingsrente. Tegen deze mondelinge uitspraak is geen cassatie mogelijk.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de heffingsrente bij de aanslag inkomstenbelasting 1997.