ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7526
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Faase
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting na strafrechtelijke veroordeling voor medeplegen opzetheling
Belanghebbende werd strafrechtelijk veroordeeld voor medeplegen van opzetheling met betrekking tot een frauduleuze overboeking van ruim 9 miljoen gulden van een dochter van een Nederlandse bank naar buitenlandse rekeningen. De Belastingdienst legde hem een navorderingsaanslag op voor het jaar 1992, waarbij het belastbaar inkomen werd verhoogd met ruim 1,3 miljoen gulden. Belanghebbende voerde aan dat hij geen inkomsten had genoten en betwistte de authenticiteit van de financiële overeenkomst met M, de vermeende opdrachtgever.
Het Hof oordeelde dat sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde, omdat belanghebbende pas in 1997 melding maakte van zijn strafrechtelijke veroordeling en geen melding had gemaakt van de financiële transacties in zijn aangifte. Het Hof achtte aannemelijk dat belanghebbende beschikte over grote bedragen op buitenlandse rekeningen en dat hij deze bedragen ook daadwerkelijk had genoten, mede gelet op contante opnames en onbetrouwbare verklaringen.
De financiële overeenkomst en kwitanties werden door het Hof als niet geloofwaardig beoordeeld. Het Hof concludeerde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd om de navorderingsaanslag te weerleggen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1992 wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.