ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7906
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Schaap
- Faase
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 40a Wet IB '64 bij aandelenruil en fiscale eenheid
Belanghebbende was houder van 51% van de aandelen in C BV na overlijden van haar echtgenoot. De overige aandelen werden door diens broer W gehouden. W droeg zijn aandelen over aan Holding BV in oprichting, welke later werd opgericht en waarvan belanghebbende alle aandelen hield. Vervolgens ruilde belanghebbende haar aandelen in C BV tegen aandelen in Holding BV. De inspecteur stelde dat artikel 40a Wet IB '64 niet van toepassing was vanwege diverse omstandigheden, waaronder het tijdsverloop tussen oprichting en aandelenruil, het ontbreken van een fiscale eenheid per 1 januari 1992 en de rol van de dochter van belanghebbende als mogelijke bedrijfsopvolger.
Het Hof oordeelde dat de genoemde omstandigheden niet aan toepassing van artikel 40a in de weg staan. De periode van drie maanden tussen oprichting en aandelenruil was niet te lang, en de intentie tot het aangaan van een fiscale eenheid was aanwezig, ook al werd deze pas later gerealiseerd. De positie van belanghebbende was reëel en waardeveranderingen kwamen haar toe. De verkoop van aandelen aan de dochter werd teruggedraaid, zodat dit geen invloed had op de belastingheffing.
Verder werd geoordeeld dat belanghebbende ontvankelijk was in haar beroep omdat de uitspraak op bezwaar niet tijdig was toegezonden. Het beroep werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de inspecteur veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van f 241.241.