ECLI:NL:CRVB:2026:96

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
25/498 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a, eerste lid, Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen op 29 november 2022

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van haar medische situatie, waaronder autisme en andere aandoeningen. Het UWV heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek geconcludeerd dat zij arbeidsvermogen heeft en daarom geen recht heeft op de uitkering.

De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen deze beslissing ongegrond verklaard, waarbij is geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is. Appellante voerde aan dat haar verhoogde recuperatiebehoefte onvoldoende werd meegewogen en dat zij het werk bij een dierenasiel niet kon volhouden, wat volgens haar wijst op een lagere belastbaarheid.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad stelt dat de medische beoordeling juist is uitgevoerd en dat de door appellante aangevoerde argumenten onvoldoende onderbouwing bieden om het standpunt van het UWV te wijzigen. De Raad bevestigt dat appellante op de peildatum over arbeidsvermogen beschikte en daarom niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante op 29 november 2022 over arbeidsvermogen beschikte en wijst het hoger beroep af, waardoor de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.

Uitspraak

25/498 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 januari 2025, 24/1218 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 januari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante vindt dat zij op 29 november 2022 (de dag waarop de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen beschikte en om die reden als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 december 2025. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1999, heeft met een door het Uwv op 18 maart 2021 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij autisme (PDD-NOS) heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna is geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 25 mei 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Met het besluit van 10 november 2021 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit staat in rechte vast.
1.2.
Met een door het Uwv op 29 november 2022 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Daarbij is vermeld dat bij appellante sprake is van autisme, ADHD, een angststoornis, een depressieve stoornis, astma, allergieën, endometriose en adenomyose. Bij deze aanvraag heeft appellante nadere stukken meegezonden, te weten een brief van 6 november 2020 van huisarts [naam huisarts], een curriculum vitae van appellante, een brief van onbekende datum van het [naam ziekenhuis], een evaluatieverslag van december 2016 van pedagoog [naam pedagoog], een brief van 16 december 2021 van verpleegkundig specialist GGZ [naam verpleegkundig specialist] (mede namens psychiater [naam psychiater 1]), een eindevaluatieverslag van 19 december 2017 van orthopedagoog [naam orthopedagoog] en psychiater [naam psychiater 2].
1.3.
Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna is geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met het besluit van 5 april 2023 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 mei 2023 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat haar aanvraag van 29 november 2022 is opgevat als een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid/nieuwe aanvraag en niet als een verzoek om terug te komen van het besluit van 25 mei 2021 vanwege nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellante heeft dit op 1 juni 2023 bevestigd.
1.4.
Met het besluit van 10 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig is verricht en dat de rapporten inzichtelijk zijn, geen tegenstrijdigheden bevatten en het onderzoek de getrokken conclusies kan dragen. Er is geen twijfel over de juistheid van de beoordeling door het Uwv omdat naar het oordeel van de rechtbank de verzekeringsartsen goed hebben onderzocht of appellante tenminste vier uur per dag belastbaar is. Daartoe acht de rechtbank van belang dat hiervoor is aangesloten bij de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. De rechtbank kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat met de beperking tot vier uur per dag sprake is van voldoende recuperatietijd, goed volgen. Appellante heeft geen medische stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat sprake is van een medische grondslag om een verdergaande urenbeperking aan te nemen.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Als het Uwv haar belastbaarheid op de manier had bepaald, zoals omschreven door de rechtbank, zou dat volgens appellante betekenen dat zij minder uren belastbaar is dan vier uur per dag en twintig uur per week. Appellante vindt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar recuperatiebehoefte, die uit meer kan bestaan dan slaap overdag. De verhoogde recuperatiebehoefte bij appellante komt voort uit een verhoogd energieverbruik. Dit gaat continue door, omdat overal en altijd prikkels aanwezig zijn. Hierdoor is het nemen van rust minder effectief en moet er dus meer rust worden genomen om tot hernieuwde energie te komen. Tot slot stelt appellante dat het werk bij het dierenasiel duidelijk wel passend bij haar was. Zij werkte hier vier dagen per week, vier uur per dag en dit was te veel. Hieruit volgt volgens appellante dat de door het Uwv vastgestelde urenbeperking niet juist is.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft – onder verwijzing naar het rapport van 21 oktober 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajonguitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 29 november 2022 (de dag waarop de aanvraag is ontvangen) arbeidsvermogen heeft. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat appellante niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
4.3.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In het rapport van 21 oktober 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar gemotiveerd dat wat door appellante in hoger beroep is aangevoerd al is meegenomen in de medische beoordeling en daarom niet leidt tot een wijziging van de beperking in de duurbelastbaarheid. Anders dan appellante heeft gesteld, betekent de omstandigheid dat zij het werk bij het dierenasiel niet heeft kunnen volhouden, niet dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat zij ten minste vier uur per dag belastbaar is, onjuist is. De beoordeling of iemand voldoet aan de in artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit genoemde voorwaarde dat deze persoon ten minste vier uur per dag belastbaar is, is een medische beoordeling die gaat om de vraag of iemand ten minste vier uur per dag verspreid over de dag belastbaar is. Appellante heeft geen medische stukken ingezonden die aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op 29 november 2022 beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) C.M. Snellenberg