ECLI:NL:CRVB:2026:946

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
24/891 NOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 7:15 AwbBesluit proceskosten rechtsbijstandBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellante stelde hoger beroep in tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tijdens de procedure nam de minister nieuwe besluiten op bezwaar, waardoor appellante alsnog de benodigde aanvragen kon indienen. Hierna trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De minister betwistte dat sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en voerde aan dat de ingediende facturen geen proceshandelingen bevatten die voor vergoeding in aanmerking komen. Appellante stelde dat de juridische werkzaamheden door een derde waren verricht en dat deze werkzaamheden hebben geleid tot de nieuwe besluiten.

De Raad oordeelde dat de verleende rechtsbijstand door een derde was en een vast bestanddeel vormt van een duurzame, op inkomen gerichte taakuitoefening. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Er werd geen vergoeding toegekend voor de bezwaarfase omdat het verzoek daartoe niet tijdig was ingediend.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/891 NOW, 24/893 NOW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 maart 2024, 23/2082 en 23/2083 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister)
Datum uitspraak: 15 juli 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De minister heeft op 7 januari 2025 en op 12 februari 2025 nieuwe beslissingen op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.
De minister heeft een reactie gegeven op het verzoek van appellante tot veroordeling in de proceskosten.
Appellante heeft een reactie ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat de minister de nieuwe beslissingen op bezwaar van 7 januari 2025 en op 12 februari 2025 heeft genomen. De minister heeft in hoger beroep onderkend te hebben nagelaten appellante in het kader van de bezwaarprocedure in de gelegenheid te stellen om alsnog de benodigde definitieve aanvragen op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid voor de derde- en vijfde periode in te dienen. Nadat de minister haar die gelegenheid alsnog heeft geboden, heeft appellante deze aanvragen op 20 november 2024 ingediend, waarna de minister de nieuwe besluiten heeft genomen. Aldus is aan appellante tegemoetgekomen.
Standpunt van de minister
3. In verband met het verzoek om proceskostenvergoeding heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten rechtsbijstand (Bpb). Volgens de minister kan, gelet op de website van [naam kantoor] , niet worden gezegd dat het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van [naam] behoort of in dat kader plaatsvindt, dan wel dat het verlenen van rechtsbijstand een vast bestanddeel vormt van de werkzaamheden van [naam] . Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit de ingediende facturen van [naam] niet blijkt dat sprake is van proceshandelingen als bedoeld in de bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht (bijlage bij Bpb) die in aanmerking komen voor vergoeding.
Standpunt van appellante
4. Appellante heeft in reactie hierop toegelicht dat [naam kantoor] , het kantoor waar [naam] werkzaam is, administratieve- en boekhoudkundige diensten aanbiedt. Dit betekent onder andere dat cliënten worden bijgestaan in juridische zaken. [naam] heeft de gehele juridische procedure namens appellante gevoerd, alle correspondentie afgehandeld en de rechtbank telefonisch te woord gestaan. De kwaliteit van de juridische werkzaamheden blijkt alleen al uit de verkregen nieuwe besluiten, aldus appellante.

Beoordeling

5. De Raad is van oordeel dat de door [naam] verleende rechtsbijstand is aan te merken als door een derde verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, welke een vast bestanddeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. In de beschrijving op de website [website], waarop staat dat [naam kantoor] boekhoudkundige bijstand en bedrijfsondersteuning en -advies aanbiedt, zijn geen aanwijzingen gevonden voor een andersluidend oordeel.
Conclusie
6. De minister wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift) en € 1.401,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de zienswijze op het besluiten van 7 januari 2025 en van 12 februari 2025). Totaal € 2.335,-. Er is geen aanleiding voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase omdat hier pas in hoger beroep om is verzocht, terwijl een dergelijk verzoek ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb moet worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Dat is niet gebeurd. De facturen van [naam] die appellante in beroep en in hoger beroep heeft overgelegd geven geen aanleiding om op grond van de bijlage bij Bpb, aanvullende proceskosten in aanmerking te nemen. Ook dient de minister het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.335,-;
- bepaalt dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 238,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) M.G.J. van Eck