ECLI:NL:CRVB:2026:891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep tegen afwijzing herzieningsverzoek rechtbankuitspraak
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarin haar verzoek om herziening van een eerdere rechtbankuitspraak werd afgewezen. De eerdere uitspraak betrof een niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep wegens het niet tijdig betalen van griffierecht. De rechtbank had het verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard en het herzieningsverzoek afgewezen omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd.
De Centrale Raad van Beroep heeft onderzocht of hij bevoegd is om op het hoger beroep te beslissen. De Raad oordeelt dat de eerdere rechtbankuitspraak een uitspraak is waartegen geen hoger beroep openstaat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is ook het hoger beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.
De Raad verklaart zich daarom onbevoegd om te beslissen op het hoger beroep. Dit betekent dat de Raad geen inhoudelijke uitspraak doet over het herzieningsverzoek. Tevens krijgt appellante geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman op 26 juni 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om te beslissen op het hoger beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek.