ECLI:NL:CRVB:2026:866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met pijnklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zowel een arts als een arbeidsdeskundige van het UWV hebben beperkingen vastgesteld, maar de geselecteerde functies zijn passend bevonden.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen deze weigering ongegrond verklaard, waarbij zij het medisch en arbeidskundig onderzoek van het UWV als zorgvuldig en juist beoordeelde. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen heeft en dat de geselecteerde functies niet passend zijn, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen.
In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunten en verzoekt zij om een deskundige te laten raadplegen, wat door de Raad wordt afgewezen. De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende is onderbouwd.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.