ECLI:NL:CRVB:2026:865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens niet voltooide wachttijd na beëindiging ZW-uitkering
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek na een ongeval en ontving een Ziektewetuitkering (ZW). Deze uitkering werd per 4 augustus 2023 beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan, maar deze werd afgewezen omdat hij de vereiste wachttijd van 104 weken niet had voltooid.
De rechtbank oordeelde dat perioden zonder recht op ziekengeld niet meetellen voor de wachttijd, conform artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA. De verslechtering van de medische situatie na beëindiging van de ZW-uitkering speelt hierbij geen rol. Appellant stelde dat het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering onjuist was en dat zijn situatie verslechterd was, maar dit werd niet gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen vergoeding voor proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens niet voltooide wachttijd na beëindiging van de ZW-uitkering.