ECLI:NL:CRVB:2026:865

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
25/1411 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Wet WIAArt. 19aa ZWArt. 46 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens niet voltooide wachttijd na beëindiging ZW-uitkering

Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek na een ongeval en ontving een Ziektewetuitkering (ZW). Deze uitkering werd per 4 augustus 2023 beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan, maar deze werd afgewezen omdat hij de vereiste wachttijd van 104 weken niet had voltooid.

De rechtbank oordeelde dat perioden zonder recht op ziekengeld niet meetellen voor de wachttijd, conform artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA. De verslechtering van de medische situatie na beëindiging van de ZW-uitkering speelt hierbij geen rol. Appellant stelde dat het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering onjuist was en dat zijn situatie verslechterd was, maar dit werd niet gevolgd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen vergoeding voor proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens niet voltooide wachttijd na beëindiging van de ZW-uitkering.

Uitspraak

25/1411 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2025, 24/6567 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 23 oktober 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij niet gedurende 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering. Volgens appellant is het besluit waarin de ZW-uitkering is beëindigd onjuist en is de medische situatie van appellant na het besluit verslechterd. Daarom moet worden beoordeeld of hij op 23 oktober 2023 recht heeft op een WIA-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor 62,50 uur per week. Op 25 oktober 2021 heeft hij zich ziekgemeld na een ongeval. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 april 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 juli 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 4 augustus 2023 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Vervolgens heeft appellant op 14 augustus 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 24 april 2024 afgewezen, omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht.
1.3.
Bij besluit van 26 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA de periode waarin appellant geen recht had op ziekengeld niet heeft betrokken bij de berekening van de wachttijd. Voor het Uwv bestond gelet op dit artikel evenmin aanleiding om te beoordelen of appellant wellicht toch de wachttijd heeft volbracht. Anders dan appellant meent, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze artikelen onmiskenbaar bedoeld zijn voor de situatie waarin appellant zich bevindt. Met een besluit van 3 juli 2023 heeft het Uwv immers de ZWuitkering van appellant beëindigd met ingang van 4 augustus 2023, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dat tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 april 2025 hoger beroep is ingesteld, maakt dat op dit moment niet anders. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de omstandigheid dat de medische situatie van appellant is verslechterd na het einde van de ZW-uitkering en de toepassing van artikel 46 ZW Pro in deze procedure over de afwijzing van de WIA-aanvraag geen rol speelt. Anders dan in de uitspraak van de Raad van 29 mei 2024 gaat het in de onderhavige procedure niet om de herbeoordeling van het ZW-besluit, maar om de beoordeling van de WIA-aanvraag. Daarbij speelt de vraag of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden of de vraag of het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering evident onrechtmatig is geen rol. Dit betekent dat het Uwv terecht de WIA-aanvraag van appellant heeft afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv de WIA-aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Het besluit waarin de ZW-uitkering van appellant is beëindigd is evident onjuist, omdat appellant per een datum in de toekomst arbeidsgeschikt is verklaard en dit is gebaseerd op een aanname dat zijn medische situatie zal verbeteren. Dit is echter niet gebeurd, zijn situatie is juist verslechterd. Deze omstandigheid had moeten worden meegewogen. Daarnaast is de uitspraak in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Uit artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA volgt dat een verzekerde na een wachttijd van 104 weken aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wet WIA. Op grond van artikel 23, derde lid, onder a, van de Wet WIA tellen voor de wachttijd de perioden mee waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de ZW. Deze perioden worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Op grond van artikel 23, derde lid, onder b, van de Wet WIA worden bij het bepalen van de wachttijd ook de perioden meegerekend die niet al op grond van onderdeel a meetellen, maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid. Ook deze perioden worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
5.2.
In artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA wordt op deze hoofdregel een uitzondering geformuleerd. Dit artikellid bepaalt dat perioden waarin geen recht op ziekengeld bestond op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, niet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de wachttijd.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak [1] volgt hieruit dat de zelfstandige beoordeling van de vraag of de wachttijd is volgemaakt achterwege kan blijven als een betrokkene met toepassing van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, geen recht heeft op ziekengeld. Perioden waarin met toepassing van dit artikel geen recht op ziekengeld bestaat, tellen op grond van artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA immers niet mee voor de wachttijd.
5.4.
In het besluit van 3 juli 2023 is, met toepassing van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, bepaald dat appellant vanaf 4 augustus 2023 geen recht heeft op een ZW-uitkering. De periode na 4 augustus 2023 telt dus op grond van artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA niet mee voor de wachttijd, die was aangevangen op 25 oktober 2021. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. De stelling van appellant dat het besluit van 3 juli 2023 pertinent onjuist is, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat de medische situatie van appellant kort na beëindiging van de ZW-uitkering is verslechterd, geen rol speelt in de vraag of de wachttijd is volgemaakt. Ook de stelling dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wordt niet gevolgd. Appellant heeft in het geheel niet onderbouwd waarom hier sprake van is.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) G.C. Boot

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1072.