ECLI:NL:CRVB:2026:858

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/766 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:15 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens rugklachten en jicht, maar het Uwv heeft deze geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is vastgesteld. Zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige van het Uwv concludeerden dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, maar wel voor andere functies.

Appellant voerde aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten ernstiger zijn dan aangenomen, met name bewegingsangst en pijnklachten die hem beperken in zitten, staan en tillen. De rechtbank oordeelde echter dat de medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst voldoende onderbouwd zijn en dat de beperkingen passend zijn vastgesteld. Het radiologiebericht en andere medische stukken boden geen nieuwe inzichten die tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leiden.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het Uwv. Er is geen reden om te twijfelen aan de medische en arbeidskundige beoordelingen. Het hoger beroep wordt afgewezen, de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand en er is geen recht op vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/766 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2025, 24/2734 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 26 april 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.B.C. Maton, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maton. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als koerier voor 42,56 uur per week. Op 28 april 2021 heeft hij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziekgemeld met rugklachten en jicht. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 juli 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 augustus 2023 geweigerd appellant met ingang van 26 april 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 6 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zoals neergelegd in de 27 juli 2023. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is in bezwaar gewijzigd van 0,82% naar 1,87%. Dit is het gevolg van het feit dat de omvang van de maatman in bezwaar is herzien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Wat appellant in beroep naar voren heeft gebracht heeft de rechtbank niet aan het twijfelen gebracht over de juistheid van het oordeel van het Uwv. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 december 2024 navolgbaar heeft gemotiveerd dat er een discrepantie bestaat tussen het geclaimde fysieke onvermogen en de feitelijk aanwezige lichamelijke klachten waardoor de ervaren belemmeringen niet één op één vertaald kunnen worden naar beperkingen. Desondanks is een beperking aangenomen die volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep past bij een verminderde mentale flexibiliteit en inspanningstolerantie die het gevolg is van de aanwezige stemmings- en angstklachten met piekergedrag. De disfunctionele coping en bewegingsangst die daarbij een rol spelen zijn geen ziekte of gebrek op zich waardoor geen aanleiding bestaat om daarvoor beperkingen aan te nemen. De bewegingsangst is geen absolute belemmering om fysiek actief te zijn, omdat dit meer oorzaken kan hebben wat ertoe kan leiden dat fysieke activiteiten vermeden worden. Dit kan op de lange duur schadelijk zijn voor zowel het mentale als het fysieke welzijn. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant in beroep geen medische informatie heeft ingebracht op basis waarvan ook ten aanzien van bewegen, meer beperkingen moeten worden aangenomen, vanwege de angstklachten. Dat hij voorzichtig en bescheiden is, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft toegelicht, kan niet leiden tot het oordeel dat het Uwv zijn psychische klachten heeft onderschat. Daarom heeft de rechtbank geen reden gezien om aan de juistheid van de aangenomen beperkingen te twijfelen. Het door appellant overgelegde radiologiebericht van 17 december 2024 heeft niet tot een ander oordeel van de rechtbank geleid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 februari 2025 aangegeven dat deze medische informatie reeds bekend was en bij de beoordeling van het Uwv is betrokken. Desgevraagd konden appellant en zijn gemachtigde niet toelichten hoe de geclaimde fysieke beperkingen uit het radiologiebericht zouden moeten blijken en in hoeverre dit relevant is voor de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de FML van 27 juli 2023 heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant overschrijden. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen hebben de arbeidsdeskundigen voldoende onderbouwd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn. Dat leidt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht op 1,87% heeft vastgesteld. De rechtbank heeft in de gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid in de bezwaarprocedure geen gezien aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten in bezwaar op verzoek van een belanghebbende vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het wijzigen van het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft in dit geval geen invloed gehad op het rechtsgevolg van het primaire besluit. Appellant had zowel voor als na zijn bezwaar geen recht op een WIA-uitkering. Nu geen sprake is van herroeping van het bestreden primaire besluit, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Als gevolg van zijn psychische klachten en lichamelijke klachten kan hij de geduide functies niet vervullen. Appellant is van mening dat zijn angstklachten (ook om te bewegen) niet serieus worden genomen. De bewegingsangst is een belemmering om fysiek actief te zijn. Hij loopt mank en kan niet meer dan tien minuten zitten vanwege de pijn aan zijn lichaam. Gaan staan lukt slechts met veel pijn. Tillen tot tien kilo is een probleem, appellant kan amper zichzelf omhoog krijgen vanuit zit- en of ligstand. Appellant heeft verder herhaald dat hij recht heeft op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, omdat het percentage van arbeidsongeschiktheid in bezwaar is verhoogd naar 1,87 %.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Appellant heeft ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd dat hij op de datum in geding verdergaand beperkt was dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe arbeidskundige gronden ingediend en de Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank zoals is weergegeven in de aangevallen uitspraak.
5.4.
Ten slotte heeft de rechtbank ook terecht geoordeeld dat van herroepen van het besluit van 3 augustus 2023 in de zin van artikel 7:15 van Pro de Awb geen sprake is. De rechtsgevolgen van dit besluit zijn immers in stand gebleven. Er bestaat daarom geen grond voor vergoeding van de kosten van bezwaar.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) C.C.M. van 't Hol