ECLI:NL:CRVB:2026:847

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/1437 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering terecht na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling

Appellante was werkzaam als horecamedewerker en ontving een Ziektewet-uitkering sinds juli 2022 wegens fysieke en mentale klachten. Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering per 23 maart 2024, omdat zij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kan verdienen in passende functies. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen, met name ernstige hoofdpijn en vermoeidheid, onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht. De medische stukken die appellante overlegde boden geen nieuw licht en bevestigden de hoofdpijnklachten die al waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ook de arbeidskundige beoordeling werd niet betwist door appellante.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar leverde geen nieuwe medische stukken aan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV de belastbaarheid terecht had vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering van appellante terecht heeft beëindigd.

Uitspraak

25/1437 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2025, 24/7990 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 23 maart 2024 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Voor appellante is mr. Haze verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als horecamedewerker voor gemiddeld 24,10 uur per week. Zij heeft zich, terwijl zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziekgemeld per 24 juni 2022 wegens fysieke en mentale klachten. Per 11 juli 2022 heeft het Uwv appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 februari 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en op basis van deze functies de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft bij besluit van 22 februari 2024 de ZW-uitkering van appellante per 23 maart 2024 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 10 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 februari 2024 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 juli 2024 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Het door appellante in beroep overgelegde medische dossier heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapport van 2 april 2025 voldoende gemotiveerd dat deze stukken geen nieuw licht werpen op de medische situatie van appellante rond de datum in geding. De ingebrachte stukken bevestigen de hoofdpijnklachten van appellante waarmee bij de beoordeling al rekening was gehouden, zodat er geen aanleiding is om de FML te wijzigen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen specifieke gronden heeft aangevoerd tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, zodat er geen aanleiding is om aan de arbeidskundige beoordeling te twijfelen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft besloten dat appellante per 23 maart 2024 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft het Uwv haar beperkingen onderschat. Appellante heeft zich ziekgemeld wegens psychische klachten en lichamelijke klachten, waaronder forse hoofdpijnklachten. Ook nadat appellante is geopereerd, zijn de hoofdpijnklachten onveranderd aanwezig. Als gevolg van deze forse hoofpijnklachten is appellante snel afgeleid en kan zij zich niet lang concentreren. Appellante raakt erg snel vermoeid na iedere vorm van inspanning en/of activiteit, en kan hierna lastig herstellen. Er lijkt dan ook sprake te zijn van een stoornis in de energiehuishouding van appellante. Doordat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat, zijn de geselecteerde functies niet passend voor appellante.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische grondslag
5.2.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over haar medische beperkingen, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de door de artsen van het Uwv verrichte onderzoeken en de op grond van die onderzoeken vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de FML van 9 februari 2024. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt hieraan het volgende toegevoegd.
5.2.2.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar hoofdpijnklachten en de vermoeidheidsklachten die zij hierdoor ervaart. Overwogen wordt dat uit het rapport van 9 februari 2024 blijkt dat de primaire arts de hoofdpijnklachten van appellante heeft meegenomen in de beoordeling van de belastbaarheid. In het rapport is over de hoofdpijnklachten onder meer vermeld dat bij appellante in februari-maart 2023 in het ziekenhuis onderzoek is verricht naar de hoofdpijnklachten. Hieruit zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Ook heeft appellante een slaaponderzoek gehad, waaruit geen bijzonderheden zijn gebleken. De primaire arts heeft appellante beperkt geacht voor zwaar mentaal belastend werk en heeft in de FML van 9 februari 2024 beperkingen aangenomen in de rubrieken 1 en 2. Naar aanleiding van de door appellante in beroep overgelegde medische stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 2 april 2025 gemotiveerd dat deze stukken geen nieuwe medische informatie bevatten over de situatie van appellante rond de datum in geding, 23 maart 2024. De overgelegde stukken bevestigen de hoofdpijnklachten van appellante, die al bekend waren ten tijde van de beoordeling van de belastbaarheid van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de FML van 9 februari 2024. Dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellante in hoger beroep geen nadere medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat.
Arbeidskundige grondslag
5.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 9 februari 2024, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn te achten.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

(getekend) D. de Vries

(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.