ECLI:NL:CRVB:2026:839

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/930 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, die vanwege sarcoïdose, fibromyalgie en psychische klachten arbeidsongeschikt is, heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij slechts 10,44% arbeidsongeschikt is en selecteerde passende functies. Daarom werd de WIA-uitkering geweigerd per 6 april 2022.

Daarnaast beëindigde het Uwv de Ziektewet-uitkering per 22 juni 2023, omdat er geen toename van beperkingen was vastgesteld. Appellante voerde aan dat haar klachten waren toegenomen en dat zij niet geschikt was voor de geselecteerde functies, onderbouwd met medische stukken.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De medische onderzoeken en functionele mogelijkhedenlijst zijn zorgvuldig en volledig, en de nieuwe medische informatie leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft terecht de uitkeringen geweigerd en beëindigd.

Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 juni 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd en de ZW-uitkering heeft beëindigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/930 WIA, 25/931 ZW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025, 24/2558 en 24/2750 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante per 6 april 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellante terecht per 22 juni 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Sarier, advocaat, twee hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sarier. Tevens waren aanwezig ir. [naam] , de echtgenoot van appellante en een tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor 17,97 uur per week. Op 30 maart 2020 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Appellante heeft fysieke klachten als gevolg van sarcoïdose en fibromyalgie en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 10,44%. Het Uwv heeft bij besluit van 8 november 2022 geweigerd appellante met ingang van 6 april 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Op 15 december 2022 heeft appellante zich vanuit de situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving ziekgemeld met toegenomen pijnklachten aan haar rug en gewrichten. Met ingang van16 maart 2023 heeft het Uwv aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In juni 2023 heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante geschikt geacht voor de drie aan de WIA-schatting ten grondslag liggende functies. Bij besluit van 3 juli 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante per 22 juni 2023 beëindigd.
1.3.
Bij besluit van 29 januari 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de beëindiging van haar ZW-uitkering ongegrond verklaard. Bij besluit van 6 februari 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de weigering haar een WIA-uitkering toe te kennen ongegrond verklaard. Aan beide besluiten ligt een gecombineerd medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. In het rapport van 17 januari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen noodzaak is om af te wijken van de per 6 april 2022 vastgestelde mogelijkheden en beperkingen zoals opgenomen in de FML van 31 oktober 2022 en dat geen sprake is van toegenomen beperkingen per 22 juni 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het kader van de heroverweging van de WIA-beslissing geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat af te wijken van de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige. Bij brief van 12 maart 2024 heeft het Uwv appellante laten weten dat de door haar op 11 maart 2024 ingediende medische informatie is beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en geen aanleiding geeft het ingenomen standpunt te wijzigen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
2.1.
Over de WIA-beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot een andere afweging van de medische klachten komt dan appellante maakt niet dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat de aanvullende medische informatie geen wezenlijk ander beeld geeft van de medische problematiek van appellante. De rechtbank heeft het standpunt van appellante dat haar medische klachten onvoldoende zijn meegenomen in de medische beoordeling niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de klachten van appellante op kenbare wijze meegewogen en gemotiveerd toegelicht tot welke beperkingen deze klachten leiden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat de klachten van appellante niet zijn onderschat en dat in de FML voldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Wat appellante heeft aangevoerd is onvoldoende voor de rechtbank om te twijfelen aan het medisch oordeel. De beschikbare medische informatie en de in beroep overgelegde medische informatie geven geen aanknopingspunten voor klachten of beperkingen die al aanwezig waren ten tijde van de data in geding, maar zijn gemist door de verzekeringsartsen. Verder is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd ingegaan op de bezwaargronden en onderbouwd waarom de geselecteerde functies vallen binnen de belastbaarheid zoals vastgesteld in de FML en dus geschikt zijn voor appellante.
2.2.
Over de ZW-beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat bij appellante geen sprake is van een toename van de beperkingen ten opzichte van de WIA-beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het licht van de fibromyalgie, sarcoïdose en psychische klachten gemotiveerd toegelicht dat uit de beschikbare medische informatie niet is gebleken dat deze ziektebeelden zijn verslechterd, zodat per 22 juni 2023 meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de afweging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is en niet getuigt van een zorgvuldige beoordeling. Volgens appellante heeft zij met medische informatie onderbouwd dat sprake is van aanhoudende en toegenomen klachten en beperkingen. Zij heeft haar aandoeningen en fysieke belemmeringen inzichtelijk gemaakt. Haar longklachten zijn aanhoudend en chronisch, worden steeds bepalender in haar leven en leiden ook weer tot andere klachten. Dit is meerdere malen bevestigd door de medisch behandelaars, die duidelijk wijzen op effecten van de belastbaarheid van
appellante. Uit de medische stukken volgt volgens appellante dat kan worden getwijfeld aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunten. Haar klachten en beperkingen zijn onvoldoende tot uitdrukking gekomen in de FML, waardoor zij niet geschikt is voor de geselecteerde functies. Ten aanzien van de ZW-beoordeling heeft appellante aangevoerd dat sprake is van toename van haar fysieke klachten, met name aan de rug en armen, naast de toenemende klachten als gevolg van de sarcoïdose en fibromyalgie.
3.1.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep nadere medische stukken ingebracht, te weten een brief van 12 juni 2025 van anesthesioloog pijnspecialist J. Shaikhani , een brief van 24 juni 2025 van verpleegkundig specialist long N de Graaf , een brief van 12 februari 2026 van longarts D. Cheung, een brief van 3 juli 2024 van longarts B. Atasever en een brief van 19 januari 2026 van WO-psycholoog D. Sanlitop en psychiater C. Meijer.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft – onder verwijzing naar een rapport van 9 maart 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering en het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel. Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIA-beoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer heeft ziekgemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022 [1] . Als de (verzekerings)arts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen, dan is deze vaststelling voldoende om een beëindiging van de ZW-uitkering op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen.
5.3.
Wat appellante in hoger beroep tegen de WIA-beoordeling en ZW-beoordeling heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat in beroep naar voren is gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die daaraan ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.4.
Appellante is meermalen op een spreekuur van een (verzekerings-)arts van het Uwv gezien en lichamelijk en psychisch onderzocht, te weten op 26 oktober 2022, op 22 juni 2023 en op 15 januari 2024. Daarnaast is alle beschikbare medische informatie betrokken bij de WIA- en ZW-beoordeling van het Uwv. Dat medische informatie is gemist is niet gebleken. Gelet op deze omstandigheden wordt het standpunt van appellante dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek niet gevolgd.
5.5.
Ook is geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van de bestreden besluiten. Op de FML van 31 oktober 2022 zijn in de rubrieken 1 tot en met 5 meerdere beperkingen aangenomen en is appellante beperkt geacht voor werken in de nacht, waaruit volgt dat appellante geschikt is geacht voor mentaal, fysiek en energetisch relatief licht belastende werkzaamheden. Gelet op de bevindingen en gemotiveerde conclusies van de (verzekerings)artsen van het Uwv kan niet worden gesteld dat de belastbaarheid van appellante op 6 april 2022 hiermee is overschat en dat per 22 juni 2023 sprake is van een toename van de beperkingen.
5.6.
De in hoger beroep in het geding gebrachte medische stukken leiden niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht opgemerkt dat deze informatie het beeld bevestigt van een langer aanwezige sarcoïdose en langer bestaande rugklachten en dat de informatie geen ander beeld geeft van de medische situatie van appellante op de data in geding. Verder is niet gebleken dat de door appellante ter zitting vermelde hartklachten, waarvoor zij meerdere keren zou zijn opgenomen in het ziekenhuis, al speelden op de data in geding. De brief van 19 januari 2026 van WO-psycholoog Sanlitop en psychiater Meijer dateert van ruim na de data in geding en is grotendeels een beschrijving van de afgenomen anamnese. Geconcludeerd wordt dat uit de in hoger beroep ingebrachte stukken niet blijkt dat de belastbaarheid van appellante op de data in geding 6 april 2022 en 22 juni 2023 onjuist is vastgesteld.
5.7.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het Uwv de beperkingen van appellante op de data in geding juist heeft vastgesteld. Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen.
5.8.
Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen heeft het Uwv voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat appellante geschikt is voor de geselecteerde WIAfuncties. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een WIAuitkering toe te kennen per 6 april 2022 en dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd per 22 juni 2023.

Conclusie en gevolgen

5.9.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat zowel de weigering om aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen als de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.