ECLI:NL:CRVB:2026:829

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
22/3195 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ZW-uitkering na beoordeling medische beperkingen en deskundigenrapporten

Appellant, werkzaam als kok, ontving een ZW-uitkering die het UWV per 12 januari 2021 beëindigde omdat zijn beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 oktober 2020. Appellant betwistte dit en stelde dat zijn rug- en psychische klachten waren toegenomen, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.

De Raad benoemde een neuroloog en een psychiater als deskundigen. De neuroloog concludeerde dat er geen neurologische verklaring was voor de rugklachten en onderschreef de beperkingen in de FML. De psychiater stelde vast dat er geen toename was in beperkingen op sociaal en persoonlijk vlak. De Raad volgde deze deskundigen en oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering had beëindigd.

Appellant vorderde tevens een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure vijf jaar en vijf maanden duurde, wat een overschrijding van één jaar en vijf maanden betekent. De Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500 en proceskosten van €467. Het hoger beroep werd verder afgewezen.

Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 12 januari 2021; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

22/3195 ZW
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 augustus 2022, 21/3054 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 12 januari 2021 heeft beëindigd omdat de beperkingen van appellant op 12 januari 2021 niet zijn toegenomen ten opzichte van de FML van 21 oktober 2020, die voor de WIA-beoordeling per 26 november 2019 is vastgesteld. De Raad heeft zowel een deskundige neuroloog als een deskundige psychiater geraadpleegd. De Raad heeft de deskundige neuroloog gevolgd in zijn conclusie dat op neurologisch gebied geen verklaring is voor de door appellant aangegeven rugklachten. Ook de daarna – op advies van de deskundige neuroloog – geraadpleegde deskundige psychiater, die heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant, wordt gevolgd. Dit betekent dat de ZW-uitkering van appellant terecht per 12 januari 2021 is beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband daarmee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Als tolk is verschenen E. Battaloglu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
Het onderzoek is heropend na de zitting, waarna de Raad achtereenvolgens neuroloog dr. E.M.H. van den Doel en psychiater dr. F. van Duijn als deskundigen heeft benoemd voor het instellen van een onderzoek.
De deskundige Van den Doel heeft op 8 februari 2024 een rapport uitgebracht en de deskundige Van Duijn op 3 mei 2025 .
Partijen hebben op de rapporten gereageerd.
Van Duijn heeft op 11 september 2025 op deze reacties gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als kok voor 40 uur per week. Daarna ontving hij een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit de WW heeft hij zich op 28 november 2017 ziekgemeld. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 24 oktober 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 26 november 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 augustus 2020 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep heeft de rechtbank Noord-Holland bij uitspraak van 7 september 2022 (rb. nr. 20/5081) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 september 2023 in de zaak met zaaknummer 22/3201 WIA heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.2.
Appellant heeft zich op 25 september 2020 ziekgemeld met toegenomen klachten
(psychische klachten en zwelling oksel waarvoor een operatie op 18 december 2020 is gepland). Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de WW.
1.3.
In het kader van deze ziekmelding heeft op 13 november 2020 een telefonisch spreekuur
met een verzekeringsarts plaatsgevonden. Deze arts heeft – nadat hij medische informatie heeft opgevraagd – in zijn rapport van 12 januari 2021 overwogen dat de nieuwe fysieke klachten geen aanleiding geven om aanvullende beperkingen te stellen, wat tot de conclusie leidt dat de eerder gestelde beperkingen – zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 oktober 2020 – en de eerder in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies nog steeds aan de orde zijn.
1.4.
Bij besluit van 12 januari 2021 heeft het Uwv appellant vanaf 12 januari 2021 weer geschikt geacht voor de eerder geselecteerde functies.
1.5.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 juni 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 mei 2021 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin onder meer overwogen dat de rugklachten en nekklachten bekend waren uit het verleden, en dat er nog geen uitslag van een recente MRI-LWK bekend is.
Het oordeel van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen twijfel is aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de klachten van appellant, waaronder de rugklachten. Daarvoor waren al beperkingen opgenomen in FML van 21 oktober 2020. De informatie van de behandelend neuroloog van 12 mei 2021 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn beoordeling meegenomen. Uit de informatie van de neuroloog blijkt dat op de MRI een HNP (hernia) op L4-L5 is geconstateerd. Vaststelling van een radiculair syndroom (beknelde rugzenuw) volgt daaruit niet, enkel wordt geconcludeerd dat de pijn klinisch daarbij het meest passend is, nu er geen bewijs is van radiculaire prikkeling. Appellant is in dat kader op 5 mei 2021 nog door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht middels de proef van Lasèque en de uitslag daarvan was negatief. Daarmee ontkent de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat er pijnklachten zijn. Hij trekt slechts de conclusie dat met de klachten voldoende rekening is gehouden door de beperkingen in de FML. De rechtbank heeft geconcludeerd dat in de FML van 21 oktober 2021 in voldoende mate rekening is gehouden met de rugklachten van betrokkene.
Het standpunt van appellant
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het Uwv de bestreden beslissing onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd heeft genomen. Verder is er onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen en gezondheidsklachten. De geselecteerde functie(s) kan hij niet verrichten. Hij acht zich arbeidsongeschikt, waarbij hij opmerkt dat zijn klachten alleen maar toenemen. Appellant heeft nadere stukken en nadere gronden ingediend. Uit de brieven van de huisarts van 21 juni 2022 en 19 mei 2023 en de POH/GGZ van 20 juli 2022 blijkt dat hij zeer te lijden heeft vanwege de fysieke klachten, maar eveneens door de psychische klachten. De rugklachten zijn onderschat. Volgens appellant blijkt uit de informatie van de huisarts van 19 mei 2023 dat wel degelijk sprake was van een wortelcompressie/radiculair syndroom. De eerder geselecteerde functies zijn dan ook niet passend.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft herhaald wat in beroep is aangevoerd en heeft benadrukt dat op de datum in geding, 12 januari 2021, geen sprake was van wortelcompressie/radiculair syndroom. Daartoe heeft het Uwv erop gewezen dat de verzekeringsarts op 5 mei 2021 specifiek onderzoek heeft gedaan naar de rugklachten van appellant en dat bij dat onderzoek bleek, met name door de negatieve proef van Lasèque, dat geen sprake was van radiculaire wortelprikkeling. Verder heeft het Uwv erop gewezen dat er in verband met de rugklachten veel beperkingen zijn aangenomen voor statische en dynamische handelingen. In dit kader heeft het Uwv ook verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 juni 2022 en 27 juli 2023.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering voor de situatie dat de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziekmeldt. Voor een dergelijke situatie geldt het (nieuwe) toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022 [1] . Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet worden voldaan aan de volgende twee cumulatieve voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de
WIA-beoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
4.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan dient te worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
4.4.
In geschil is of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 12 januari 2021 heeft beëindigd omdat hij geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Daarvoor dient gelet op het voorgaande allereerst de vraag beantwoord te worden of de beperkingen van appellant op 12 januari 2021 zijn toegenomen ten opzichte van de FML van 21 oktober 2020 die voor de WIA-beoordeling per 26 november 2019 is vastgesteld.
4.5.
Bij de Raad is twijfel ontstaan over onder meer de aard van de fysieke klachten (met name de rugklachten) van appellant, zijn belastbaarheid en beperkingen op de datum in geding, zoals vastgesteld in de FML van 21 oktober 2020. Daarom heeft de Raad besloten neuroloog Van den Doel als deskundige te benoemen.
4.6.
Van den Doel heeft in zijn rapport van 8 februari 2024 geconcludeerd dat op de datum in geding, zijnde 12 januari 2021, geen sprake was van een neurologische aandoening die de pijnklachten van appellant in de lage rug konden verklaren, dat hij geen bezwaren heeft tegen de door de verzekeringsarts in de FML van 21 oktober 2020 vastgestelde beperkingen en dat er geen ontwikkelingen zijn geweest die worden ondersteund door de MRI van november 2022. Verder heeft hij aangegeven dat appellant forse klachten en beperkingen ervaart die neurologisch niet kunnen worden verklaard en dat er sprake is van ernstige klachten op het psychisch vlak. Daarom acht hij een nader onderzoek door een psychiater van waarde.
4.7.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in zijn rapport van 12 maart 2024 verenigd met de conclusies van Van den Doel. Appellant heeft de conclusie van Van den Doel bestreden. Volgens appellant gelden er wel degelijk beperkingen omdat sprake is van een wezenlijke aandoening aan de lage rug. Daartoe heeft hij gewezen op informatie van de behandelend neuroloog F.H.M. Spaander van 12 januari 2024 waarin deze concludeert dat er sprake is van pijn in de rug en benen, links meer dan rechts bij HNP L4-L5 met compressie L5 links en dat bij beleid (indirect) vermeld staat dat een operatie geïndiceerd is en dat spierversterkende oefeningen en zittend plassen worden geadviseerd. De Raad heeft geen aanleiding gezien Van den Doel hierop te laten reageren omdat Van den Doel in zijn rapport al expliciet is ingegaan op het verschil in inzicht van hem en de behandelend neuroloog Spaander en hij onderbouwd en inzichtelijk heeft weerlegd dat sprake zou zijn van een HNP
.
4.8.
Vervolgens heeft de Raad psychiater Van Duijn benoemd als deskundige voor het instellen van een psychiatrisch onderzoek. Op 3 mei 2025 heeft Van Duijn een rapport uitgebracht. Van Duijn heeft geconcludeerd dat in januari 2021 bij appellant sprake was van depressieve klachten, die deels in remissie waren gegaan door de behandeling bij psychiater C. van Daalen. Daarbij had appellant angstklachten, die niet als een separate diagnose werden geclassificeerd. Van Duijn heeft geen aanleiding gezien meer beperkingen op sociaal en persoonlijk gebied aan te nemen dan door de verzekeringsarts zijn aangenomen in de FML van 21 oktober 2020. Over het aantal uren dat appellant kan werken heeft hij zich niet uitgelaten omdat dat buiten zijn expertise valt.
4.9.
Op 11 september 2025 heeft Van Duijn gereageerd op de door appellant geuite kritiek op zijn rapport van 3 mei 2025. Van Duijn heeft aangegeven dat nu hij appellant een uur heeft gesproken en daarna nog 45 minuten in aanwezigheid van zijn vriend, dat appellant zelf aangaf dat hij alles wat hij wilde vertellen had verteld, en dat dat voor hem voldoende was om een goed beeld te vormen van de problematiek. Een langer gesprek zou geen nieuwe informatie hebben opgeleverd. Volgens Van Duijn was de spreekvaardigheid in het Nederlands van appellant enigszins beperkt maar begreep appellant tijdens zijn onderzoek zijn vragen goed en gaf hij adequaat antwoord. Daarom was het niet nodig om gebruik te maken van een tolkentelefoon. Appellant heeft daarnaast aangegeven dat hij sommige onderwerpen niet zou hebben besproken als er iemand anders bij aanwezig zou zijn geweest. Volgens Van Duijn is er geen reden voor een aanvullende beperking in de aandacht omdat die tijdens het onderzoek niet was verminderd. Verder heeft hij er op gewezen dat de aanwezigheid van depressieve en/of angstklachten of ‘verwardheid’ of ‘een verdoofd gevoel’ niet impliceert dat die persoon ook een verminderde aandacht heeft. Verder heeft hij uiteengezet dat het affect van appellant was afgevlakt, maar dat hij tijdens het onderzoek wel met emoties kon reageren en spreken. Van Duijn heeft benadrukt dat hij bij zijn onderzoek alle beschikbare brieven heeft meegenomen en bovendien ook e-mailcontact heeft gehad met de behandelend psychiater Van Daalen, waarvan hij verslag heeft gedaan in zijn rapport.
4.10.
.Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor.
4.11.
De conclusies van Van den Doel worden onderschreven. Van den Doel heeft appellant op zijn spreekuur uitgebreid neurologisch onderzocht, heeft de beschikking gehad over de informatie van de behandelende artsen, en hij heeft informatie opgevraagd bij de huisarts en de behandelend neurologen, waaronder MRI’s van 4 mei 2021 en 2 november 2022. Ook beschikte hij over informatie van de behandelend neuroloog Spaander van 12 januari 2024. Hij heeft overtuigend geconcludeerd dat en waarom de door de behandelend neurologen gebruikte terminologie ‘hernia L4/5’ onjuist is en dat de enige conclusie dus is dat er geen neurologische verklaring is voor de door appellant aangegeven lage rugklachten met linkszijdige uitstraling. Hij heeft zich verenigd met de door de verzekeringsarts in de FML van 21 oktober 2020 aangenomen beperkingen en heeft geen aanleiding gezien aanvullende beperkingen te stellen.
4.12.
Het rapport van Van Duijn van 3 mei 2025, aangevuld op 11 september 2025, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Van Duijn heeft appellant uitgebreid gesproken, een anamnese afgenomen en appellant psychisch onderzocht. Ook heeft hij de huisarts van appellant op 25 maart 2025 gesproken en – op verzoek van appellant – nadere informatie van de huisarts van 29 april 2025 en psychiater Van Daalen – waarbij appellant onder behandeling is geweest – opgevraagd. De door de deskundige Van Duijn getrokken conclusies zijn inzichtelijk en consistent. De deskundige Van Duijn heeft, na kennisname van de reactie van appellant van 19 juni 2025 op zijn rapport van 3 mei 2025, zijn conclusies stellig en gemotiveerd gehandhaafd. De conclusies van de deskundige Van Duijn worden onderschreven. Er is geen aanleiding om de FML van 21 oktober 2020 voor onjuist te houden.
4.13.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 21 oktober 2020 en de oordelen van de deskundigen Van den Doel en Van Duijn, wordt het Uwv gevolgd in het oordeel dat de beperkingen van appellant op 12 januari 2021 niet zijn toegenomen ten opzichte van de FML van 21 oktober 2020 die voor de WIA-beoordeling per 26 november 2019 is vastgesteld. Dit betekent dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 12 januari 2021 heeft beëindigd.
4.14.
Uit wat in 4.1 tot en met 4.13 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
5.1.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
5.3.
Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 21 januari 2021 tot de datum van de uitspraak zijn vijf jaar en (ongeveer) vijf maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met één jaar en vijf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
5.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2021 minder dan zes maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn niet is overschreden en dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-.
Proceskosten en griffierecht
5.5.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
5.6.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met de indiening van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt, met een waarde per punt van € 934,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,-;
- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.