Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als kok, ontving een ZW-uitkering die het UWV per 12 januari 2021 beëindigde omdat zijn beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 oktober 2020. Appellant betwistte dit en stelde dat zijn rug- en psychische klachten waren toegenomen, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De Raad benoemde een neuroloog en een psychiater als deskundigen. De neuroloog concludeerde dat er geen neurologische verklaring was voor de rugklachten en onderschreef de beperkingen in de FML. De psychiater stelde vast dat er geen toename was in beperkingen op sociaal en persoonlijk vlak. De Raad volgde deze deskundigen en oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering had beëindigd.
Appellant vorderde tevens een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure vijf jaar en vijf maanden duurde, wat een overschrijding van één jaar en vijf maanden betekent. De Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500 en proceskosten van €467. Het hoger beroep werd verder afgewezen.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 12 januari 2021; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.