ECLI:NL:CRVB:2026:822

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
24/1431 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit AO/IVArt. 7 Besluit AO/IV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing dienstverband voor enkelletsel na sprong uit helikopter tijdens militaire training

Appellant, sinds 2005 werkzaam bij de Koninklijke Landmacht, liep in 2007 tijdens een warmweertraining op een militair oefenterrein letsel aan zijn rechterenkel op na een sprong uit een helikopter. Na een militair geneeskundig onderzoek werd hij in 2017 blijvend ongeschikt verklaard voor militaire dienst. De staatssecretaris van Defensie wees een aanvraag voor militair invaliditeitspensioen af voor het enkelletsel, omdat dit niet als een dienstongeval werd beschouwd.

Appellant maakte bezwaar en kreeg gedeeltelijk gelijk voor een psychische aandoening, maar het enkelletsel bleef buiten beschouwing. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de warmweertraining niet kan worden aangemerkt als een oefening onder oorlogsnabootsende omstandigheden met verhoogd risico, zoals vereist voor erkenning van dienstverband.

De Raad stelde vast dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden wijzigen. Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en het hoger beroep verworpen. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 18 juni 2026.

Uitkomst: Het letsel aan de enkel wordt niet erkend als dienstongeval, waardoor geen militair invaliditeitspensioen wordt toegekend voor dit letsel.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1431 MPW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2024, 23/6051 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

Appellant heeft een aanvraag gedaan voor een militair invaliditeitspensioen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het letsel aan de enkel na een sprong uit een helikopter tijdens een training in [plaats] kan worden gekwalificeerd als een dienstongeval. De Raad is van oordeel dat dit niet het geval is.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.P. van Zandbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zandbergen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H. Braun.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, sinds januari 2005 werkzaam bij de Koninklijke Landmacht, heeft in 2007 tijdens een warmweertraining op een militair oefenterrein in [plaats] bij een sprong uit een helikopter letsel opgelopen aan zijn rechterenkel. Van oktober 2010 tot en met januari 2011 is appellant uitgezonden geweest naar [land] , waar hij traumatische ervaringen heeft opgedaan. Appellant heeft zich in juni 2015 ziekgemeld met psychische klachten.
1.2.
Na een Militair Geneeskundig Onderzoek is appellant met ingang van 31 oktober 2017 blijvend ongeschikt geacht voor het vervullen van de militaire dienst.
1.3.
Met een besluit van 5 augustus 2022 heeft de staatssecretaris bepaald dat appellant niet in aanmerking komt voor een militair invaliditeitspensioen. Ten aanzien van de psychische aandoening is er sprake van verband met de uitoefening van de militaire dienst, maar omdat de mate van invaliditeit 8,75% is, wordt niet voldaan aan het minimale vereiste voor toekenning, namelijk 10% invaliditeit. Voor het letsel aan de rechterenkel heeft de staatsecretaris geen dienstverband aanvaard.
1.4.
Met een besluit van 2 augustus 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 augustus 2022, gegrond verklaard in die zin dat appellant met ingang van 1 juni 2022 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen naar een percentage van 13,75 voor de psychische aandoening. Vanaf 1 juni 2022 heeft appellant ook recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van 2,5%. Ten aanzien van het letsel aan de rechterenkel is de staatssecretaris bij zijn standpunt gebleven dat er geen sprake is van dienstverband.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
In artikel 7 van Pro het Besluit AO/IV [1] wordt, kort gezegd, bij ontslag een aanspraak op een militair invaliditeitspensioen toegekend aan de militair bij wie een invaliditeit met dienstverband is vastgesteld. Onder invaliditeit met dienstverband wordt op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit AO/IV verstaan een invaliditeit die het gevolg is van de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Daartoe wordt op grond van artikel 2, zesde lid, van het Besluit AO/IV mede gerekend het onder oorlog nabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico.
4.2.
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de warmweertraining, waarbij een sprong uit een helikopter moest worden gemaakt, niet aangemerkt kan worden als ‘onder oorlog nabootsende omstandigheden in de praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden, teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren, of te onderhouden’.
4.3.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen [2] is normaal onderdeel van het uitoefenen van de militaire dienst door een beroepsmilitair het oefenen van de uitvoering van de oorlogstaak, waarvoor hij is bestemd. Gelet op de systematiek van artikel 2 van Pro het Besluit AO/IV geschiedt dit in beginsel onder normale omstandigheden, waarbij alle gebruikelijke maatregelen ter voorkoming van ongevallen worden getroffen. Daarnaast is het mogelijk dat een oorlogstaak wordt geoefend onder buitengewone omstandigheden. De oefening van de desbetreffende oorlogstaak wordt dan gedaan onder nabootsing van bijzondere omstandigheden, zoals die zich bij daadwerkelijk operationeel optreden in een oorlogssituatie kunnen voordoen en waarbij deze bijzondere omstandigheden een verhoogd risico op verwonding of letsel met zich meebrengen. In het algemeen zal dit verhoogde risico aanwezig zijn wanneer, juist om de oorlogssituatie realistisch na te bootsen, niet alle normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen (kunnen) worden gehandhaafd.
4.4.
De rechtbank heeft over het ontbreken van oorlogsnabootsende omstandigheden bij de warmweertraining in [plaats] in 2007 overwogen dat uit de beschikbare stukken niet kan worden afgeleid dat de warmweertraining werd verricht onder nabootsing van bijzondere omstandigheden, zoals die zich daadwerkelijk bij operationeel optreden in een oorlogssituatie kunnen voordoen en waarbij deze bijzondere omstandigheden een verhoogd risico op letsel met zich hebben meegebracht. Het feit dat appellant uit een helikopter is gesprongen is daartoe op zichzelf onvoldoende. Niet is gebleken dat niet alle normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen tijdens de oefening werden gehandhaafd. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de staatssecretaris terecht geen dienstverband heeft aanvaard voor het letsel aan de rechter enkel en het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot als voorzitter en B. Serno en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) G.C. Boot

(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.Besluit Aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.
2.Uitspraak van de Raad van 14 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4349.