ECLI:NL:CRVB:2026:796

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
24/1561 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 14 EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 1 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellante werkte als schoonmaakster en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 36,55%. Na herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna haar WIA-uitkering per 8 augustus 2023 werd beëindigd.

Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld, onder meer door het gebruik van krukken en knieproblemen, en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Tevens stelde zij dat het WIA-systeem een ongerechtvaardigd onderscheid maakt naar inkomen, wat in strijd zou zijn met het discriminatieverbod.

De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig onderzoek had verricht, met medische en arbeidskundige rapporten die de beëindiging rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst het beroep van appellante af. De Raad overweegt dat het discriminatieverweer niet slaagt omdat het onderscheid in het WIA-systeem objectief en redelijk is gerechtvaardigd binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever.

De Raad bevestigt dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 8 augustus 2023 rechtmatig is en dat appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 8 augustus 2023 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1561 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2024, 23/4484 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante per 8 augustus 2023 heeft beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd. De grond dat het systeem van de WIA een ongerechtvaardigd onderscheid maakt naar inkomen, slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.Y. Ramdhan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K.Y. Ramdhan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor gemiddeld 32,79 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 14 april 2020 een loongerelateerde WGA [1] -uitkering op grond van de Wet WIA [2] toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 36,55%.
1.2.
Met een besluit van 15 februari 2022 heeft het Uwv appellante na afloop van de loongerelateerde periode met ingang van 14 april 2022 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35% tot 45%. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft hierin aanleiding gezien om haar mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.
1.3.
In verband met deze herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en deze neergelegd in een FML [3] van 30 september 2022. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd. Bij brief van 21 november 2022 heeft het Uwv appellante laten weten voornemens te zijn haar WIA-uitkering te beëindigen, omdat zij vanaf 14 april 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft haar bezwaren tegen dit voornemen kenbaar gemaakt.
1.4.
Met een besluit van 7 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en haar WIA-uitkering beëindigd vanaf 8 augustus 2023. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellante fysiek onderzocht en de opgevraagde en (eerder) overgelegde stukken uit de behandelend sector en het medisch dossier in hun beoordeling betrokken. Hun conclusies vloeien voort uit de onderzoeksbevindingen en zijn niet tegenstrijdig. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Uit de medische stukken is niet gebleken dat er een noodzakelijk verband bestaat tussen het gebruik van krukken en de noodzaak om op termijn een knieprothese te krijgen, zodat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het gebruik van krukken niet medisch noodzakelijk is, navolgbaar is. Ook wat betreft de rugklachten is er geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met betrekking tot de geschiktheid van de door het Uwv geselecteerde functies, heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij hun beoordeling terecht uit zijn gegaan van de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 30 november 2023 navolgbaar toegelicht dat de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.
Het standpunt van partijen
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat meer beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van zitten, verzitten en het bewegen van de knieën. Zij kan niet een kwartier aan één stuk lopen en is aangewezen op krukken. Uit het enkele feit dat een knieprothese op latere leeftijd medisch noodzakelijk is, volgt volgens appellante ook dat het gebruik van krukken medisch noodzakelijk is. Om die reden zijn ook de geduide functies niet geschikt. Tot slot is aangevoerd dat het systeem van de Wet WIA tot onrechtvaardige uitkomsten leidt en in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet en artikel 14 van Pro het EVRM [4] .
3.2.
Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

3. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over beëindiging van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen getrokken conclusie en de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat uit de voorhanden zijnde medische informatie niet blijkt van een medische noodzaak voor het gebruik van de krukken door appellante op de datum in geding, 14 april 2022. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven om de juistheid van dit medisch standpunt in twijfel te trekken.
Arbeidskundige beoordeling
4.3.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv, gelet op en met inachtneming van de voor appellante vastgestelde beperkingen, voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 2 december 2024 de signaleringen in de voor appellante geduide functies aanvullend gemotiveerd. Hieruit blijkt dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
Toetsing aan discriminatieverbod
4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat het systeem van de Wet WIA voor verzekerden met dezelfde beperkingen discrimineert naar inkomen. Appellante heeft gesteld dat verzekerden met een hoog inkomen, die vrijwel altijd een weinig lichamelijk belastende functie hebben, altijd in de WIA terecht komen. Terwijl dat bij verzekerden met een laag inkomen, die vrijwel altijd een zwaar lichamelijk belastende functie hebben, niet het geval is. De Raad begrijpt deze grond zo, dat appellante meent dat sprake is van een verboden gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Deze grond slaagt niet.
4.5.
Voor zover appellante zich heeft willen beroepen op artikel 14 van Pro het EVRM dan wel artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM, overweegt de Raad als volgt.
4.6.
De Raad leidt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 14 van Pro het EVRM af, dat het niet alleen verboden is gelijksoortige gevallen zonder toereikende rechtvaardigingsgrond ongelijk te behandelen. Ook gelijke behandeling van ongelijke gevallen, waarbij materiële ongelijkheid wordt gecreëerd doordat de ene categorie feitelijk in een ongunstiger positie terecht komt dan de andere categorie, kan leiden tot een schending van artikel 14. Dit is het geval wanneer daarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Indien relevante verschillen bestaan tussen twee categorieën van gevallen en de ene categorie door toepassing van de regel in een ongunstiger situatie komt te verkeren dan de andere, moet worden beoordeeld of met de gelijke behandeling een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en of voldaan is aan het vereiste van proportionaliteit. [5]
4.7.
De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of, en in welke mate, verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen en bij de vaststelling of in ongelijksoortige situaties een gelijke behandeling gerechtvaardigd is. De omvang van deze beoordelingsmarge is onder andere afhankelijk van de regelgeving die wordt beoordeeld en van de aard van het gemaakte, of volgens de betrokkene te maken, onderscheid. In dit geval ligt ter beoordeling een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid voor. Op dat gebied hebben de verdragsstaten in het algemeen een ruime beoordelingsmarge. Dat is in dit geval niet anders. Het onderscheid dat appellante ter discussie stelt is geen verdacht onderscheid, zoals bijvoorbeeld onderscheid op grond van een aangeboren kenmerk wel is. Als bij een regeling op het gebied van sociale zekerheid een niet verdacht onderscheid ter discussie wordt gesteld, dient in het algemeen het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij de keuze van de wetgever van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste kan niet snel worden aanvaard. [6]
4.8.
De Raad merkt in de eerste plaats op dat appellante haar stelling dat het systeem van de Wet WIA verhoudingsgewijs nadelig uitpakt voor mensen met een laag inkomen op het moment van intreden van de arbeidsongeschiktheid, niet heeft onderbouwd. Uit onderzoek van het Uwv blijkt dat appellantes stelling niet zonder meer aannemelijk is. In het rapport “Wel ziek, geen WIA” wordt het volgende opgemerkt:
“Het feit dat de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) een verzekering is tegen inkomensverlies (en geen verzekering tegen gezondheidsverlies) heeft tot gevolg dat twee mensen met precies dezelfde beperking niet altijd hetzelfde arbeidsongeschiktheidspercentage krijgen toegekend. Hun arbeidsongeschiktheidspercentage hangt mede af van het loon dat ze verdienden voordat ze ziek werden. Mensen die een laag loon hadden voordat ze ziek werden, hebben een grotere kans om in de categorie 35-min terecht te komen, maar ook om in de categorie 80-100 te komen. De WIA-beoordeling is voor laagbetaalden daarom meer een alles-of-nietsbeslissing dan voor hoogbetaalden, die vaker in de categorie WGA 35-80 (gedeeltelijk arbeidsongeschikt) komen.” [7]
4.9.
Daarnaast is geen sprake van een situatie waarin de gelijke behandeling van ongelijke gevallen van iedere redelijke grond is ontbloot. De Wet WIA betreft een inkomensdervingsverzekering. De wet heeft tot doel een uitkering te verstrekken ter compensatie van loonderving als gevolg van het in de wet omschreven verzekerde risico. [8] De wetgever heeft daarbij nadrukkelijk gekozen voor een koppeling tussen een ziekte of gebrek en de hoogte van het oude en thans haalbare inkomen, waarbij een minimaal theoretisch verlies aan inkomen als grens is gesteld. Aan het feit dat de Wet WIA voorziet in een inkomensdervingsverzekering is inherent dat, niet alleen de aanwezigheid van bepaalde beperkingen, maar ook de hoogte van het vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid genoten inkomen van invloed is op de mate van arbeidsongeschiktheid. Door een dergelijk systeem in het leven te roepen is de wetgever de grenzen van zijn ruime beoordelingsmarge niet te buiten gegaan.
4.10.
Voor zover appellante zich heeft willen beroepen op het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in artikel 1 van Pro de Grondwet, en voor zover toetsing aan deze bepaling al mogelijk is nu appellante onder andere artikel 5 van Pro de Wet WIA, zijnde een bepaling van formele wetgeving, ter discussie lijkt te stellen, ziet de Raad geen aanknopingspunten om bij de toetsing aan deze bepaling een andere dan de in 4.6 en 4.7 verwoorde maatstaf en toetsingsintensiteit aan te leggen.
Conclusie en gevolgen
4.11.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 8 augustus 2023 in stand blijft.
4.12.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 5 Wet Pro WIA
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 14 van Pro het EVRM
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol van het EVRM
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.
Artikel 1 van Pro de Grondwet
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
3.Functionele Mogelijkhedenlijst.
4.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Uitspraak van de Raad van 25 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1210, r.o. 4.10; uitspraak van de Raad van 12 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:177, r.o. 4.7.2.
6.Uitspraak van de Raad van 12 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:177, r.o. 4.7.3.
7.Wel ziek, geen WIA, rapport Uwv, UWV 2024, p. 12 en 13.