ECLI:NL:CRVB:2026:796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante werkte als schoonmaakster en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 36,55%. Na herbeoordeling door het UWV werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna haar WIA-uitkering per 8 augustus 2023 werd beëindigd.
Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld, onder meer door het gebruik van krukken en knieproblemen, en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Tevens stelde zij dat het WIA-systeem een ongerechtvaardigd onderscheid maakt naar inkomen, wat in strijd zou zijn met het discriminatieverbod.
De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig onderzoek had verricht, met medische en arbeidskundige rapporten die de beëindiging rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst het beroep van appellante af. De Raad overweegt dat het discriminatieverweer niet slaagt omdat het onderscheid in het WIA-systeem objectief en redelijk is gerechtvaardigd binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever.
De Raad bevestigt dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 8 augustus 2023 rechtmatig is en dat appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 8 augustus 2023 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.