ECLI:NL:CRVB:2026:793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
25/1307 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig chauffeur personenvervoer, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen.

In bezwaar werd de mate van arbeidsongeschiktheid herberekend en verhoogd, maar na nader medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep werd een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld met beperkingen die resulteerden in een arbeidsongeschiktheid van 34,7%. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en verwierp de stellingen van appellant over onzorgvuldig medisch onderzoek en onvoldoende beperkingen. Appellant stelde dat een deskundige benoemd had moeten worden vanwege tegenstrijdige medische beoordelingen, maar de Raad volgde dit niet.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevoegd was om beperkingen te herzien en dat de motivering voldoende was. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Appellant krijgt geen WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/1307 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2025, 24/5290 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 24 januari 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 april 2026. Voor appellant is mr. Amghar verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als chauffeur personenvervoer voor gemiddeld 23,31 uur per week. Vanaf 24 juni 2020 ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 27 januari 2021 heeft hij zich, vanuit de WW, ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 maart 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 24,73%. Bij besluit van 1 augustus 2023 (primaire besluit) heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 25 januari 2023 (einde wachttijd) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
In bezwaar heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het maatmaninkomen en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend en bepaald op 49,66%. Bij brief van 20 december 2023 heeft het Uwv appellant zijn voornemen kenbaar gemaakt het primaire besluit te wijzigen en om appellant met ingang van 25 januari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant heeft hierop zijn zienswijze gegeven en meegedeeld dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Vervolgens heeft er een nader onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om een aantal van de door de primaire verzekeringsarts aangenomen medische beperkingen te laten vervallen en op 11 juli 2024 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van deze nieuwe FML nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 34,70%. Bij besluit van 15 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, het volgende overwogen.
2.1.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht, de hoorzitting van 11 juli 2024 bijgewoond en kennis genomen van de (medische) gegevens die tijdens de bezwaarprocedure naar voren zijn gebracht.
2.2.
De rechtbank heeft appellant ook niet gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn bevindingen (teveel) heeft gebaseerd op zijn waarneming tijdens de hoorzitting. De beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet op de datum in geding. Dat blijkt ook uit de motivering dat tijdens de hoorzitting wordt bevestigd dat de darmaandoening van appellant rondom einde wachttijd goed onder controle was en nauwelijks klachten gaf. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat er bij het primaire onderzoek geen tekenen van psychopathologie waren en appellant ook nimmer voor psychische klachten is behandeld waardoor er geen reden is om beperkingen aan te nemen op zijn psychische belastbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist of onvolledig beeld had van de medische situatie van appellant op de datum in geding.
2.3.
De rechtbank heeft appellant evenmin gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende beperkingen heeft aangenomen en ten onrechte bepaalde beperkingen, die door de primaire verzekeringsarts zijn gesteld, heeft laten vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 juli 2024 duidelijk en inzichtelijk beargumenteerd dat er in het kader van de ziekte van Crohn voldoende beperkingen zijn gesteld. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is meegewogen dat de ziekte rondom de datum in geding goed beheersbaar was, waardoor appellant nauwelijks klachten ervoer. Door in de FML van 11 juli 2024 op te nemen dat appellant in de nabijheid van een toilet zijn werkzaamheden moet kunnen verrichten, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog rekening gehouden met deze ziekte. Gezien deze beperking acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep het overbodig om appellant ten aanzien van beroepsmatig vervoer ook beperkt te achten. Om die reden is deze beperking komen te vervallen. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat in het kader van de heroverweging kennis is genomen van de vermoeidheidsklachten die appellant naar aanleiding van de ziekte van Crohn ervaart. Deze klachten hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter geen reden gegeven om op dat vlak een beperking aan te nemen. Een urenbeperking is daarom niet aan de orde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij de beoordeling van 28 maart 2023 al gemotiveerd dat er geen sprake was van een aandoening die gepaard gaat met sterk energieverlies. Ook is er geen sterk toegenomen recuperatienoodzaak waarneembaar die een urenbeperking noodzakelijk maakt.
2.4.
Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd toegelicht dat er geen aanleiding bestaat voor het aannemen van beperkingen vanwege psychische klachten. Ten tijde van het primaire onderzoek waren er geen tekenen van psychopathologie en appellant is ook nimmer voor psychische klachten behandeld. Appellant heeft evenmin medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat meer beperkingen gerechtvaardigd zijn.
2.5.
Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook voldoende heeft gemotiveerd waarom de beperkingen op zwaar fysiek werk zijn komen te vervallen (FML-items 4.21 en 5.10). Appellant is fysiek normaal belastbaar en is ten aanzien van het tillen en dragen tijdens het werk ook boven normaalwaarden belastbaar.
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende duidelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat verdergaande beperkingen aan te nemen in de FML en zijn de medische beperkingen correct vastgesteld. Daarom heeft de rechtbank het verzoek van appellant, om een medisch deskundige te benoemen, afgewezen.
2.7.
De rechtbank heeft verder vastgesteld dat appellant geen arbeidskundige bezwaren naar voren heeft gebracht en volstaan met de overweging dat de door het Uwv geselecteerde functies vallen binnen de belastbaarheid van appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft erop gewezen dat hij door twee verzekeringsartsen van het Uwv is beoordeeld en dat dit heeft geleid tot twee tegenstrijdige beoordelingen. Daarom had de rechtbank een deskundige moeten benoemen om te beoordelen of de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen juist heeft vastgesteld. Appellant heeft de Raad verzocht alsnog een deskundige in te schakelen. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen niet juist vastgesteld. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant pas anderhalf jaar na de datum in geding heeft onderzocht en op basis van dit latere spreekuur – op twee beperkingen na – alle eerder door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen heeft laten vervallen, zonder deugdelijke motivering.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht appellant met ingang van 24 januari 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
5.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van de gronden die in beroep zijn ingebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en volstaat met een verwijzing daarnaar. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de in de FML van 11 juli 2024 opgenomen beperkingen.
5.4.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep minder beperkingen heeft aangenomen dan de primaire verzekeringsarts, de rechtbank een deskundige had moeten benoemen om te beoordelen of de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen juist heeft vastgesteld. Daarbij wordt voorop gesteld dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep bevoegd is om, in het kader van de heroverweging van het primaire besluit op grondslag van het bezwaar, minder medische beperkingen aan te nemen dat de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 juli 2024 duidelijk en inzichtelijk heeft beargumenteerd waarom hij een aantal van de door de primaire verzekeringsarts aangenomen medische beperkingen heeft laten vervallen. Er bestaat geen twijfel over de juistheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 11 juli 2024. Daarom heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om een deskundige te benoemen en ziet ook de Raad geen aanleiding om een deskundige inschakelen.
5.5.
Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit wordt ook het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de geselecteerde functies onderschreven

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat appellant geen WIA-uitkering krijgt.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) J. Bonnema