Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:755

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/1217 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens verdiencapaciteit boven 65 procent

Appellante was sinds een auto-ongeval op 30 mei 2022 ziekgemeld en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 1 juli 2023 op grond van een beoordeling dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Medische en arbeidsdeskundige rapporten ondersteunden dit oordeel, waarbij een functionele mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld en vier geschikte functies werden geselecteerd.

Appellante voerde aan dat zij door haar beperkingen niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen en dat sprake was van Geen Benutbare Mogelijkheden (GBM). De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen en belastbaarheid van appellante adequaat waren beoordeeld.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad vond dat de medische en arbeidsdeskundige rapporten voldoende onderbouwd waren en dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschreden. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering per 1 juli 2023 in stand bleef.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht per 1 juli 2023 heeft beëindigd.

Uitspraak

25/1217 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2025, 24/8061 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 1 juli 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies te vervullen zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken aan de orde gesteld op de zitting van 29 april 2026. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als tankstation medewerkster voor gemiddeld 21,94 uur per week. Op 1 juni 2022 heeft zij zich – na een auto-ongeval op 30 mei 2022 – ziekgemeld met klachten aan nek, rug en schouders, cognitieve klachten, angstklachten en moeheidsklachten. Het Uwv heeft aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een primaire arts van het Uwv. Deze arts heeft in haar rapport van 27 april 2023 geoordeeld dat appellante niet geschikt is voor haar eigen werk, dat er geen sprake is van een situatie van Geen Benutbare Mogelijkheden (GBM) en dat een urenbeperking van twintig uur per week geldt in verband met verminderde beschikbaarheid en verminderde mogelijkheden tot recupereren. Verder heeft zij psychische en lichamelijke beperkingen aangenomen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 mei 2023.
1.3.
Een arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 19 mei 2023 vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste loonwaarde berekend dat appellante meer dan 65%, om precies te zijn 86,60%, kan verdienen van haar maatmaninkomen.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 22 mei 2023 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 1 juli 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.5.
Bij besluit van 16 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juli 2024 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 juli 2024 ten grondslag.
1.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond, heeft appellante aansluitend medisch onderzocht en heeft informatie van de revalidatiearts van 25 mei 2023, de reumatoloog van 11 januari 2024 en de fysiotherapeut van 29 mei 2024 bij haar beoordeling betrokken. Zij heeft de belastbaarheid gewijzigd in die zin dat zij een beperking voor beroepsmatig vervoer heeft toegevoegd en de urenbeperking heeft geschrapt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de gewijzigde belastbaarheid neergelegd in een FML van 3 juli 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de eerder geselecteerde functies gelet op de gewijzigde FML van 3 juli 2024 nog altijd voor appellante geschikt zijn en heeft berekend dat appellante 93,12% kan verdienen van haar maatmaninkomen.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft een zorgvuldig medisch onderzoek plaatsgevonden en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe zijn beoordeling tot stand is gekomen.
2.2.
Wat appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank niet doen twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat er geen reden is om het aantal uren dat appellante kan werken te beperken. Appellante heeft verder niet concreet gemaakt en niet onderbouwd dat zij zwaardere beperkingen heeft. In haar aanvullende rapport van 16 april 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep over het door appellante overgelegde rapport van Salude van 14 januari 2025 gemotiveerd uiteengezet dat daar niet uit valt af te leiden dat die beoordeling betrekking heeft op de gezondheidssituatie van appellante ten tijde van de in geding zijnde datum van 1 juli 2023. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar toegelicht dat uit het rapport van Salude niet valt af te leiden welke problematiek objectiveerbaar is vastgesteld om tot de conclusie te komen dat er bij appellante sprake is van GBM. In tegenstelling tot de onderzoeken van de (verzekerings)artsen van het Uwv, blijkt uit het rapport van Salude niet dat rekening is gehouden met een dagverhaal of informatie van de behandelend sector. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten van het Uwv valt daarentegen wel af te leiden welke bevindingen op grond van de lichamelijke en psychische onderzoeken hebben geleid tot de beperkingen zoals deze zijn neergelegd in de FML van 3 juli 2024.
2.3.
Over de geschiktheid van de geselecteerde functies heeft appellante gesteld dat de belastbaarheid daarin zwaarder is dan haar eigen werk en dat haar belastbaarheid in deze functies wordt overschreden. Volgens de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen gemotiveerd waarom de werkzaamheden die horen bij deze functies, de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Daarbij is rekening gehouden met de aangepaste FML van 3 juli 2024. Wat appellante daartegen heeft aangevoerd, heeft bij de rechtbank niet tot twijfel geleid.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft – in essentie – herhaald wat zij in beroep heeft aangevoerd en wel dat de geselecteerde functies zwaarder zijn dan haar eigen werk, dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen en dat in het rapport van Salude van 14 januari 2025 is geconcludeerd dat sprake is van GBM.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens het Uwv heeft appellante de beroepsgronden herhaald en worden geen nieuwe medische gegevens overgelegd die een nieuw licht op de zaak werpen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 1 juli 2023 heeft beëindigd omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
5.2.
De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht per 1 juli 2023 heeft beëindigd. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, komen overeen met de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 1 juli 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) J. Bonnema