ECLI:NL:CRVB:2026:726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellante, met de Turkse nationaliteit en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, vroeg bijzondere bijstand aan voor naturalisatiekosten om makkelijker en sneller haar zieke dochter in het Verenigd Koninkrijk te kunnen bezoeken. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet noodzakelijk zijn. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellante dat haar verblijfsstatus haar belemmert in het bezoeken van haar dochter en dat naturalisatie dit zou vergemakkelijken. De Raad oordeelde dat appellante deze stelling onvoldoende aannemelijk had gemaakt, mede omdat de overgelegde stukken niet betrekking hadden op een visumaanvraag voor familiebezoek maar op een ander type vergunning. Bovendien erkende de Raad dat ook met de Nederlandse nationaliteit soortgelijke obstakels voor toegang tot het Verenigd Koninkrijk bestaan.
De Raad concludeerde dat de naturalisatiekosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. Hierdoor was geen aanleiding om te beoordelen of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand voor naturalisatiekosten blijft in stand.