Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
zijn van na datum in geding en na de datum waarvan klant zelf aangeeft dat het weer slechter met hem gaat.(..)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, meldde zich op 11 oktober 2019 ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Na gedeeltelijke hervatting als postbezorger werd de ZW-uitkering per 24 juli 2021 beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Het Uwv weigerde vervolgens een WIA-uitkering toe te kennen per 8 oktober 2021 vanwege het niet volgmaken van de vereiste wachttijd van 104 weken.
De rechtbank Limburg oordeelde dat het Uwv zorgvuldig had gehandeld, de medische en arbeidskundige beoordelingen deugdelijke onderbouwing boden en dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd. Ook werd vastgesteld dat appellant niet doorlopend arbeidsongeschikt was geweest vanaf 11 oktober 2019, waardoor de wachttijd opnieuw begon te lopen bij latere ziekmeldingen.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel doorlopend arbeidsongeschikt was en dat de verrekening van inkomsten en de weigering van toeslag onjuist waren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd, de WIA-uitkering terecht was geweigerd en dat de ingangsdatum van de WIA-uitkering per 29 augustus 2023 juist was vastgesteld. De Raad wees het hoger beroep af en liet de proceskosten voor rekening van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd en de WIA-uitkering geweigerd wegens niet volgemaakte wachttijd.