Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
25/257 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd

Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, meldde zich op 11 oktober 2019 ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Na gedeeltelijke hervatting als postbezorger werd de ZW-uitkering per 24 juli 2021 beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Het Uwv weigerde vervolgens een WIA-uitkering toe te kennen per 8 oktober 2021 vanwege het niet volgmaken van de vereiste wachttijd van 104 weken.

De rechtbank Limburg oordeelde dat het Uwv zorgvuldig had gehandeld, de medische en arbeidskundige beoordelingen deugdelijke onderbouwing boden en dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd. Ook werd vastgesteld dat appellant niet doorlopend arbeidsongeschikt was geweest vanaf 11 oktober 2019, waardoor de wachttijd opnieuw begon te lopen bij latere ziekmeldingen.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel doorlopend arbeidsongeschikt was en dat de verrekening van inkomsten en de weigering van toeslag onjuist waren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd, de WIA-uitkering terecht was geweigerd en dat de ingangsdatum van de WIA-uitkering per 29 augustus 2023 juist was vastgesteld. De Raad wees het hoger beroep af en liet de proceskosten voor rekening van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd en de WIA-uitkering geweigerd wegens niet volgemaakte wachttijd.

Uitspraak

25/257 ZW, 25/258 ZW, 25/259 ZW en 25/260 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 december 2024, 22/321, 2023/2520, 23/2521 en 24/3056 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken over de vragen of de ZW-uitkering van appellant terecht per 24 juli 2021 is beëindigd en of appellant vanaf zijn ziekmelding op 11 oktober 2019 terecht niet doorlopend (104 weken) arbeidsongeschikt is geacht, waardoor de wachttijd voor de WIA niet is volgemaakt. De Raad beantwoordt die vragen bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft stukken ingestuurd.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant die werkzaam was als heftruckchauffeur voor 40 uur per week heeft zich op 11 oktober 2019 ziekgemeld. Daarna ontving hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 1 mei 2021 is appellant gaan werken als postbezorger voor negen tot elf uur per week.
1.2.
Op 8 juni 2021 is appellant – in verband met de Coronapandemie – telefonisch onderzocht door een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft appellant beperkt geacht in sociaal functioneren en werktijden en heeft deze beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 juni 2021. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 22 juni 2021 appellant ongeschikt geacht voor zijn eigen werk als heftruckchauffeur, heeft vijf functies geselecteerd en heeft vastgesteld dat appellant 81,90% kan verdienen van zijn maatmaninkomen.
1.3.
Bij besluit van 23 juni 2021 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 24 juli 2021 beëindigd omdat hij per 8 juni 2021 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.4.
Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 juli 2021 geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 8 oktober 2021 toe te kennen, omdat de daar voor vereiste wachttijd van 104 weken niet is volgemaakt.
1.5.
De bezwaren van appellant en zijn werkgever tegen de besluiten van 23 juni 2021 en 6 juli 2021 heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 20 december 2021 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan liggen ten grondslag rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 november 2021 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 december 2021.
1.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant onderzocht en heeft hem aanvullend beperkt geacht voor werken na 21:00 uur en voor snel wisselende werktijden. Deze verzekeringsarts heeft een aangescherpte FML van 23 november 2021 vastgesteld. Daarna heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat en waarom de aanpassing in de FML geen invloed heeft op de geschiktheid van appellant op de eerder geselecteerde functies en heeft hij overlegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de in de FML vastgestelde beperking op item 2.12.6, zijnde dragen van (grote) eindverantwoordelijkheid (risicovolle handelingen waarbij alertheid vereist is). Deze arbeidsdeskundige heeft het verdienvermogen van appellant gewijzigd vastgesteld op 81,03%.
1.7.
Aansluitend op de beëindiging van de ZW-uitkering per 24 juli 2021 is aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op deze WWuitkering zijn inkomsten uit zijn baan als postbezorger gekort. Vervolgens heeft appellant zich vanuit zijn baan als postbezorger op 31 augustus 2021 en vanuit de WW op 9 september 2021 ziekgemeld, waarop opnieuw een ZW-uitkering is toegekend.
1.8.
Bij besluiten van 2 en 3 maart 2023 is de ZW-uitkering van appellant gekort over de periodes 27 januari 2023 tot en met 31 januari 2023 en 1 februari 2023 tot en met 28 februari 2023. Bij besluit van 5 april 2023 is de korting over de periode 1 februari 2023 tot en met 28 februari 2023 herzien. Bij besluit van eveneens 5 april 2023 is de ZWuitkering over de periode 1 maart 2023 tot en met 31 maart 2023 gekort.
1.9.
Bij besluit van 19 april 2023 is vastgesteld dat appellant per 27 januari 2023 geen recht heeft op toeslag op grond van de Toeslagenwet.
1.10.
Bij besluit op bezwaar van 30 augustus 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen besluiten van 2 maart 2023 en 5 april 2023 gegrond verklaard omdat de inkomsten die op de ZW-uitkering zijn gekort, niet juist zijn vastgesteld. Dat is gecorrigeerd en heeft geresulteerd in een nabetaling van € 768,56 bruto. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 april 2023 is ongegrond verklaard omdat de inkomsten van appellant hoger zijn dan het sociaal minimum.
1.11.
In verband met een ziekmelding van appellant per 28 oktober 2022 vanuit de WW is aan appellant bij besluit van 30 januari 2023 per 27 januari 2023 een ZWuitkering toegekend. Bij het besluit van 30 augustus 2023 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 januari 2023 ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat appellant vanaf 11 oktober 2019 niet onafgebroken ziek is geweest waardoor er geen sprake is van een volgemaakte WIA-wachttijd van 104 weken.
1.12.
Bij besluit van 30 augustus 2023 heeft het Uwv aan appellant per 29 augustus 2023 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, die evenwel niet tot uitbetaling komt (omdat de hoogte is vastgesteld op € 0,- per maand). Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de WIAuitkering. Dit bezwaar is bij besluit op bezwaar van 5 april 2024 (bestreden besluit 4) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv toegelicht dat geen sprake is van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 11 oktober 2019, dat aan de beoordeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid niet wordt toegekomen omdat eerder de wachttijd van 104 weken voor de WIA niet is volgemaakt en dat de WIAuitkering niet tot uitbetaling komt omdat de ZWuitkering, waarvan het dagloon hoger is dan het dagloon voor de WIAuitkering, wordt gekort op de WIAuitkering.
Uitspraak van de rechtbank
Bestreden besluit 1 20 december 2021: einde ZW per 24 juli 21 en weigering WIA per 8 oktober 2021
2.1.
Volgens de rechtbank mocht de werkgever van appellant – die eigenrisicodrager is – het Uwv gemotiveerd verzoeken om een herbeoordeling van de gezondheidstoestand van appellant. De aanleiding voor dat verzoek, die naar appellant heeft gesteld is gebaseerd op onjuiste informatie van de bedrijfsarts, doet daar niet aan af. Bij een (her)beoordeling moest de verzekeringsarts immers zijn eigen verzekeringsgeneeskundig oordeel vormen over de medische situatie van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen.
2.2.
Volgens de rechtbank is het onderzoek zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellant telefonisch gesproken tijdens het spreekuur van 8 juni 2021. De door hem opgevraagde informatie van de huisarts is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen. Appellant is gezien tijdens de hoorzitting van 1 november 2021 en vervolgens lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gerapporteerd, heeft het dossier bestudeerd en heeft de (medische) informatie uit de behandelend sector bij haar heroverweging betrokken.
2.3.
Volgens de rechtbank is de ZW-uitkering per 24 juli 2021 op juiste gronden beëindigd. Appellant heeft geen nadere (medische) informatie overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat er meer beperkingen zouden moeten worden opgenomen. De klachten die appellant in beroep naar voren heeft gebracht, zoals de reeds jaren bestaande slaapklachten en de psychische en fysieke klachten, waren bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en die heeft zij meegewogen. Zij heeft geen aanleiding gezien voor verdergaande beperkingen, zoals een urenbeperking omdat sprake is van een goed dag- en nachtritme en een actieve daginvulling, zonder noodzaak voor recuperatie overdag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit in haar rapport van 23 november 2021 voldoende deugdelijk gemotiveerd.
2.4.
Verder is de rechtbank niet gebleken dat de arbeidskundige beoordeling onjuist of gebrekkig is geweest. Bij de vaststelling van het maatmaninkomen is – anders dan appellant stelt – terecht alleen rekening gehouden met de inkomsten als heftruckchauffeur en niet tevens met de inkomsten als postbezorger. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt in geen van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant overschreden. Hij heeft nog overlegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de interpretatie van de beperking onder item 2.12.6, welke beperking luidt: “de klant kan geen (grote) eindverantwoordelijkheid dragen (risicovolle handelingen waarbij alertheid vereist is)”.
2.5.
Nu volgens de rechtbank de ZW-uitkering terecht is beëindigd per 24 juli 2021, heeft het Uwv terecht geweigerd aan appellant per 8 oktober 2021 een WIAuitkering toe te kennen omdat de daarvoor vereiste wachttijd van 104 weken niet is vol gemaakt. Het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Bestreden besluit 2: dagloon en toeslag
2.6.
In het verweerschrift van 9 april 2024 heeft het Uwv uitgelegd hoe het dagloon van de ZW-uitkering per januari 2023 is berekend. Verder heeft het Uwv over de toeslag zijn standpunt gehandhaafd dat appellant daarvoor niet in aanmerking komt, omdat zijn inkomsten hoger zijn dan het wettelijk sociaal minimum. Volgens de rechtbank heeft appellant niet toereikend gemotiveerd waarom zijn inkomen lager zou zijn dan het wettelijk sociaal minimum. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Bestreden besluit 3: doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 11 oktober 2019?
2.7.
De rechtbank heeft vastgesteld dat er, na de beëindiging van de ZW-uitkering per 24 juli 2021, nog twee (voor deze zaak relevante) ziekmeldingen zijn geweest en wel op 31 augustus 2021 uit zijn functie als postbezorger en op 9 september 2021 vanuit de WW. In beide gevallen ligt de eerste ziektedag verder dan vier weken na 24 juli 2021. Met het Uwv heeft de rechtbank geoordeeld dat de wachttijd voor de WIA vanaf genoemde data opnieuw is beginnen te lopen en dus geen sprake is van een ononderbroken ziekteperiode vanaf de oorspronkelijke eerste ziektedag 11 oktober 2019. Dat betekent dat niet wordt toegekomen aan de grond dat aan appellant op grond van de Amberbepalingen (eerder) een WIAuitkering moet worden toegekend.
2.8.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat met de ziekmeldingen van 31 augustus 2021 dan wel 9 september 2021 geen sprake is geweest van een ononderbroken ziekteperiode vanaf 11 oktober 2019. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is ongegrond verklaard.
Bestreden besluit 4: ingangsdatum WIA-uitkering 29 augustus 2023, Amber, WIA-dagloon, korting ZW-uitkering op WIA-uitkering, uitbetaling WIA-uitkering € 0,-
2.9.
De rechtbank heeft vastgesteld dat aan appellant per 29 augustus 2023 (alsnog) een WIA-uitkering is toegekend, naar aanleiding van de ziekmelding als postbode per 31 augustus 2021. Gelet op het voorgaande oordeel dat van een ononderbroken ziekteperiode vanaf 11 oktober 2019 geen sprake is geweest en dat niet wordt toegekomen aan de vraag of van een Ambersituatie sprake is, heeft het Uwv de ingangsdatum van de WIA-uitkering juist vastgesteld.
2.10.
De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt zoals weergegeven in het verweerschrift van 27 juni 2023 dat appellant niet gemotiveerd heeft betwist waarom de hoogte van het WIA- dagloon niet zou kloppen. De rechtbank is dan ook uitgegaan van de juistheid van de berekening die door het Uwv is gemaakt.
2.11.
Volgens de rechtbank heeft het Uwv in het verweerschrift van 27 juni 2023 inzichtelijk uitgelegd waarom de WIA-uitkering per 29 augustus 2023 niet tot uitbetaling komt. Dat komt doordat appellant naast de WIA-uitkering nog een ZWuitkering ontving vanuit de ziekmelding uit de WW. Deze ZW-uitkering dient op de WIA-uitkering in mindering te worden gebracht. Omdat de ZW-uitkering hoger is dan de WIA-uitkering, komt de WIA-uitkering dus niet tot uitbetaling.
Schadevergoeding en proceskosten
2.12.
Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant in de zaak 22/321 recht heeft op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van € 1.500,- omdat de redelijke termijn van vier jaar met een jaar en 6 maanden is overschreden. In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank aanleiding gezien de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant, en die begroot op € 437,50.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht per 24 juli 2021 heeft beëindigd. Volgens appellant is hij vanaf 11 oktober 2019 doorlopend arbeidsongeschikt geweest en had hij vanaf 8 oktober 2021 recht op een WIA-uitkering omdat hij toen de 104 weken wachttijd voor de WIA had volgemaakt.
3.2.
Verder heeft hij aangevoerd dat de verrekening van de inkomsten uit zijn werk als postbode onjuist zijn gekort op zijn ZW-uitkering en dat hij ook na 23 januari 2023 recht heeft op toeslag. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de WIAuitkering per 29 augustus 2023 niet tot uitbetaling komt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft herhaald wat in beroep is aangevoerd.

Het oordeel van de Raad

5.1.
De Raad stelt vast dat – in de zaken 25/257 ZW, 25/259 ZW, 25/260 WIA – het geschil zich toespitst op de vragen of:
de ZW-uitkering van appellant terecht per 24 juli 2021 is beëindigd;
appellant terecht vanaf zijn ziekmelding op 11 oktober 2019 niet doorlopend (104 weken) arbeidsongeschikt is geacht, waardoor de wachttijd voor de WIA niet is volgemaakt.
De Raad beantwoordt die vragen bevestigend en overweegt het volgende.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep reeds naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De primaire verzekeringsarts heeft op 8 juni 2021 bij appellant een uitgebreide anamnese afgenomen, heeft bij psychisch onderzoek geen afwijkingen gevonden en heeft in verband met slaapproblemen beperkingen vastgesteld in sociaal functioneren en werktijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep Heeskens-Reijnen heeft appellant lichamelijk onderzocht en heeft alle beschikbare medische stukken, waaronder informatie van de [naam GZpsycholoog] van 12 november 2021, in haar heroverweging meegenomen. Zij heeft in haar rapport van 23 november 2021 het volgende overwogen:
Bestudering van alle stukken leert dat klant al meer dan 10 jaar regelmatig is gezien met doorslaapproblemen. Hij heeft hiermee meestal gefunctioneerd. Op het moment van de primaire beoordeling last had van doorslaapstoornissen bij goede slaaphygiëne, op tijd in bed, op tijd eruit en niet slapen overdag etc. Daarnaast is er angst voor de dood voor ziektes. Klant is verwezen naar een psycholoog in verband hiermee. Op het moment van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek is er geen sprake van suïcidale gedachten, vindt klant het leven mooi, heeft hij een met zinvolle activiteiten gevulde dag, voldoende contacten met vrienden en buren, kijkt hij voetbal en werkt hij bij Post.nl. Hij houdt het huis bij, verzorgt zijn maaltijden draagt regelmatig zorg voor zoon van 5 jaar, draagt zorg voor meerdere honden die hij ook uitlaat, het eten smaakt hem goed. Hij speelt poker en kijkt tv. De op dat moment geuite klachten en het dagverhaal passen niet bij een ernstig depressief beeld. De observaties van klant laten geen sombere stemming zien, wel enige hypochondrie, geen cognitieve problemen. (…)
De bevindingen van de psycholoog[lees: [naam GZpsycholoog] van 12 november 2021]
zijn van na datum in geding en na de datum waarvan klant zelf aangeeft dat het weer slechter met hem gaat.(..)
Ten aanzien van de psyche heeft primaire verzekeringsarts rekening gehouden met de klachten en bevindingen bij klant en met zijn actieve dagverhaal, het goed dag-nachtritme van klant, het feit dat hij niet sliep overdag. Ten aanzien van werktijden is er terecht rekening gehouden met goed afgegrensde werktijden, is er geen medische noodzaak voor een evidente duurbeperking nu er geen verhoogde recuperatiebehoefte is overdag.
5.4.
De verzekeringsarts heeft in verband met de slaapproblematiek in de FML van 23 november 2021 aanvullende beperkingen aangenomen voor werktijden, maar geen urenbeperking. Het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is inzichtelijk en overtuigend en wordt door de Raad gevolgd. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de ZW-uitkering per 24 juli 2021 terecht is beëindigd.
5.5.
Dat betekent ook dat de weigering van het Uwv om aan appellant per 8 oktober 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, juist is omdat appellant vanaf 11 oktober 2019 niet doorlopend 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.
5.6.
Ook overigens is niet gebleken van een doorlopende arbeidsongeschiktheid van 104 weken vanaf 11 oktober 2019. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat vanaf de ziekmeldingen van 31 augustus 2021 en op 9 september 2021 de eerste ziektedag verder dan vier weken na 24 juli 2021 ligt en dat de wachttijd van 104 weken vanaf die data opnieuw is beginnen te lopen.
5.7.
Dat aan appellant bij besluit van 30 augustus 2023 (wel) een WIA-uitkering per 29 augustus 2023 is toegekend, in verband met zijn ziekmelding op 31 augustus 2021 uit zijn baan als postbezorger, doet hier niet aan af. Gelet op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat die ingangsdatum niet onjuist is.
Verrekening inkomsten en geen recht op toeslag per 27 januari 2023 25/258 ZW
5.8.
In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank over de verrekening van inkomsten en de weigering om een toeslag per 27 januari 2023 toe te kennen niet gemotiveerd en onderbouwd bestreden. Evenmin heeft appellant de nadere toelichting van het Uwv ter zitting van de Raad, waarin is verwezen naar het verweerschrift in beroep van het Uwv van 9 april 2024, gemotiveerd weerlegd. Dit brengt mee dat de Raad geen aanleiding heeft om zich niet te verenigen met het oordeel van de rechtbank.
Niet tot uitbetaling komen van de WIA-uitkering per 29 augustus 2023 25/260 WIA
5.9.
De rechtbank wordt eveneens gevolgd in zijn oordeel over het niet tot uitbetaling komen van de WIA-uitkering per 29 augustus 2023. In hoger beroep heeft appellant ook op dit punt niet gemotiveerd onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.