Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:714

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
25/1441 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verhoging WAO-uitkering wegens geen toegenomen beperkingen

Appellante, voormalig schoonmaakster, verzocht om verhoging van haar WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen klachten en beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak waarvoor zij eerder een uitkering ontving. Het UWV verhoogde haar uitkering van 15-25% naar 25-35%, maar appellante vond dit onvoldoende en was het oneens met de ingangsdatum.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, stellende dat er geen sprake was van een toename van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts constateerde geen aanhoudende toename van beperkingen vanaf 1 maart 2016, ondanks diverse medische klachten. De arbeidsdeskundige stelde dat appellante voldoende lees- en taalvaardigheid heeft om eenvoudige functies te vervullen.

Appellante ging in hoger beroep, maar diende geen nieuwe medische informatie in. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De verhoging van de WAO-uitkering per 3 november 2022 blijft daarmee in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek tot verdere verhoging van de WAO-uitkering wordt afgewezen en de verhoging per 3 november 2022 blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1441 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2025, 23/6070 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 mei 2026

SAMENVATTING

In deze zaak heeft appellante verzocht om verhoging van haar WAO-uitkering omdat er volgens haar sprake is van toegenomen klachten en beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor aan haar eerder een WAO-uitkering is toegekend. Het Uwv heeft aan appellante een verhoging van de uitkering toegekend van 15-25% naar 25-35%. Appellante vindt dat zij meer arbeidsongeschikt is en zij is het niet eens met de ingangsdatum van de verhoging. De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak doorverwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Voor appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster. Zij is op 15 april 1999 met rugklachten uitgevallen voor dit werk. Na afloop van de wachttijd van 52 weken is aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.2.
Appellante heeft op 30 maart 2022 en 3 april 2022 een formulier ingevuld voor een verzoek om herbeoordeling van haar WAO-uitkering vanwege een verslechtering van haar gezondheidssituatie per 1 maart 2016.
1.3.
Met een besluit van 7 november 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv de WAOuitkering van appellante met ingang van 3 november 2022 verhoogd. De uitkering wordt vanaf die datum gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.4.
Met een besluit op bezwaar van 1 september 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 18 juli 2023 vastgesteld dat er geen sprake is toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor eerder een WAO-uitkering is toegekend (geen Amber). Verder is er – door de jaren heen – weliswaar sprake van allerhande medische klachten en problemen, waaronder wisselende buikklachten, maar er is beginnend op 1 maart 2016 geen doorlopende periode van 104 weken waarin er sprake is van vaststelbare aanhoudende toename van beperkingen. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep na het onderzoek ter zitting heropend en het Uwv in de gelegenheid gesteld schriftelijk een nadere toelichting te geven. Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juni 2024 ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd met een brief van 1 augustus 2024. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft verwezen naar jurisprudentie van de Raad waarin onderscheid is gemaakt tussen risicofactoren en medische oorzaken. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de primaire ziekteoorzaak, te weten de chronisch lage rugklachten, gelijk is gebleven in ernst en dat de adipositas een risicofactor is, is door de rechtbank gevolgd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend heeft uitgelegd waarom de lees- en taalvaardigheid van appellante voldoende is om de geselecteerde eenvoudige productiematige functies te kunnen vervullen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de gronden die zij in bezwaar en in beroep heeft ingediend. Deze gronden zijn door de rechtbank in de aangevallen uitspraak allemaal besproken en de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gronden niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden of medische informatie ingediend op grond waarvan de Raad tot een ander oordeel komt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het standpunt van het Uwv, dat er bij appellante geen toename is van beperkingen, juist is. De Raad voegt hier aan toe dat nu er geen toename van beperkingen is, de vraag of obesitas een risicofactor of een oorzaak is, niet relevant is.
5.2.
De Raad overweegt verder dat de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep De Lange in zijn rapport van 31 augustus 2023 overtuigend heeft uitgelegd waarom de lees- en taalvaardigheid van appellante voldoende is om de geselecteerde meest eenvoudige productiematige functies te kunnen vervullen. De functies zijn allemaal op opleidingsniveau 1 en appellante wordt geacht dat niveau te hebben.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verhoging van de WAO-uitkering per 3 november 2022 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.