Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/1165 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:11 WajongArt. 1a:1 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste ingangsdatum Wajong-uitkering per 6 oktober 2023

Appellant heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij eerdere aanvragen in 2014 en 2019 werden afgewezen. Na een nieuwe aanvraag in oktober 2023 heeft het UWV besloten de uitkering toe te kennen met ingang van 6 oktober 2023. Appellant betwistte deze ingangsdatum en stelde dat hij al eerder recht had op de uitkering.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de aanvraag beoordeeld moet worden volgens hoofdstuk 1A van de Wajong, waarbij een eerdere ingangsdatum dan de aanvraagdatum niet mogelijk is, tenzij sprake is van een kennelijke hardheid. Dit was niet het geval omdat appellant al eerder aanvragen had ingediend.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten herhaald, maar de Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en wijst het beroep af. De Raad benadrukt dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom de uitkering per 1 januari 2018 zou moeten ingaan. De toekenning per 6 oktober 2023 blijft daarmee in stand, en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering terecht is toegekend met ingang van 6 oktober 2023.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1165 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2025, 24/6346 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 27 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant terecht een Wajong-uitkering per 6 oktober 2023 heeft toegekend. Appellant vindt dat hij al eerder recht op een Wajonguitkering had. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de ingangsdatum van de Wajong-uitkering juist is.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Voor appellant is mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Berkel, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1996. Op 16 september 2014 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) aangevraagd. Het Uwv heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 23 december 2014 de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant arbeidsvermogen had.
1.2.
Op 6 april 2019 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 26 augustus 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 2020, afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar
.Bij besluit van 28 juni 2022 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Appellant heeft op 3 oktober 2023 opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 23 december 2014 en 16 augustus 2019. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv het verzoek bij besluit van 26 oktober 2023 afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de besluiten van 23 december 2014 en 26 augustus 2019 onjuist zou zijn.
1.4.
Met een voornemen wijziging beslissing van 13 mei 2024 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat het aan hem per 6 oktober 2023 een Wajong-uitkering zal toekennen. Appellant heeft daarop bij brief van 27 mei 2024 te kennen gegeven dat hij recht heeft op een Wajong-uitkering per 16 oktober 2014.
1.5.
Bij besluit van 7 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en appellant meegedeeld dat hij per 6 oktober 2023 Wajong-uitkering krijgt. Aan deze beslissing ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aangezien de aanvraag dateert van 6 oktober 2023, dient deze volgens de rechtbank beoordeeld te worden aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 1A van de Wajong. Dit betekent dat er geen ruimte is om de aanvraag te beoordelen aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 2. Gelet op de bewoordingen van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong kan een Wajong-uitkering niet met ingang van een eerdere ingangsdatum dan per de aanvraagdatum worden toegekend. Dit is alleen anders als op grond van het vierde lid een aanvraag niet vereist is. De ingangsdatum wordt in dat geval vastgesteld op het moment waarop het Uwv kennis heeft kunnen nemen van een situatie waar mogelijk sprake is van een recht op Wajong-uitkering en de voorwaarde van het doen van een aanvraag (op dat moment) leidt tot een kennelijke hardheid. Door de wetgever is daarbij bijvoorbeeld gedacht aan situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen. Daar is in deze zaak geen sprake van, nu appellant al eerder een aanvraag heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de ingangsdatum van de Wajong-uitkering daarom terecht vastgesteld op 6 oktober 2023. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat de toekenning per die datum heeft plaatsgevonden op niet-medische gronden. Het Uwv heeft bij die toekenning toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong, waarin is vermeld dat de ingezetene die tijdelijk geen arbeidsvermogen heeft, alsnog jonggehandicapte wordt als deze tijdelijke situatie tien jaar heeft geduurd. Zoals het Uwv in verweer terecht heeft opgemerkt, zou pas in 2028 die tienjaarstermijn zijn verstreken en zou appellant pas dan in aanmerking komen voor Wajong-uitkering. De huidige toekenningsdatum is dus in die zin in het voordeel van appellant, aldus de rechtbank.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft daartegen – kort samengevat – aangevoerd dat de hardheidsclausule van artikel 1a:11, van de Wajong beperkt is uitgelegd, dat het Uwv wisselende en inconsistente beoordelingen heeft verricht, dat sprake is van een ondeugdelijke motivering en dat onvoldoende is onderzocht wat de oorzaak was van de verslechtering van zijn gezondheidssituatie.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de toekenning van Wajong-uitkering aan appellant per 6 oktober 2023 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de toekenningsdatum van de Wajong-uitkering 6 oktober 2023 is.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.3.
Het namens appellant ter zitting ingenomen dat de Wajong-uitkering per 1 januari 2018 moet worden toegekend, slaagt ook niet. Appellant heeft in het geheel niet onderbouwd waarom de Wajong-uitkering per die datum aan hem zou moeten worden toegekend.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van Wajong-uitkering aan appellant met ingang van 6 oktober 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz