ECLI:NL:CRVB:2026:709
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering van 45,98%
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV, die is vastgesteld op 45,98% met toekenning van een WGA-uitkering. Zij stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan door het UWV is aangenomen en dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer omdat zij niet lichamelijk is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was, waarbij de artsen alle relevante medische informatie hebben betrokken en gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen zijn aangenomen. De rechtbank vond dat de medische situatie van appellante juist was beoordeeld, ook in samenhang, en dat de geduide functies passend zijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft afgezien van een lichamelijk onderzoek gezien het eerdere onderzoek door de primaire arts, en dat de medische informatie die appellante heeft ingebracht geen nieuw of ander beeld geeft. Ook de arbeidskundige beoordeling is voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 45,98%.