Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:656

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
26/111 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht bij bezwaar tegen terugvordering

De appellant had beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wormerland betreffende een terugvordering. Na eerdere vernietiging van een besluit en opdracht tot hernieuwde beslissing, nam het college op 4 november 2025 een nieuw besluit waartegen appellant opnieuw beroep instelde.

De Raad wees appellant op het verschuldigde griffierecht van €53,- en stelde een betalingstermijn. Ondanks meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief, werd het griffierecht niet betaald. De Raad oordeelde dat appellant in verzuim was en verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk.

Er werd geen inhoudelijke behandeling van het beroep gegeven en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 19 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

26/111 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
26/111 PW
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wormerland van 4 november 2025
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Wormerland (college)
Datum uitspraak: 19 mei 2026

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 3 juni 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:884) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2024 vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 februari 2023 vernietigd voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en het college opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Verder heeft de Raad bepaald met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Op 4 november 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij brief van 23 januari 2026 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 53,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 23 februari 2026 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.