Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:634

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/894 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 29 ZWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks polyneuropathie

Appellante werkte als planner en meldde zich ziek met voetklachten na een val. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering toe te kennen omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk, dat voornamelijk zittend is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig beeld had van de situatie.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar polyneuropathie en bijkomende klachten onvoldoende waren meegewogen, dat zij niet in staat was haar werk te verrichten en dat sprake was van een onredelijke bewijspositie. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijke arts. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellante geschikt is voor haar werk en dat de medische beoordeling juist is.

De Raad concludeerde dat de medische informatie voldoende was en dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden. De Raad vond geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de Ziektewetuitkering in stand blijft.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering omdat appellante geschikt is voor haar eigen werk.

Uitspraak

25/894 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025, 24/7805 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een ZWuitkering toe te kennen. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij wel recht had op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZWuitkering terecht heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Süzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G. Arslan, advocaat en kantoorgenoot van mr. Süzen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als planner (assisteren van personeelszaken) voor 24 uur per week. Haar dienstverband is op 27 oktober 2023 geëindigd. Op 9 november 2023 heeft zij zich ziekgemeld met voetklachten na een val. Appellante heeft als gevolg van polyneuropathie (onder meer) evenwichtsklachten. Op dat moment ontving appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 22 januari 2022 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft appellante per 9 november 2023 [1] geschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 22 januari 2024 (primair besluit) heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 2 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juli 2024 ten grondslag. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is tot aanpassing van het door de primaire verzekeringsarts ingenomen standpunt. Appellante wordt geschikt geacht voor haar eigen werk omdat de belasting in het eigen werk de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat appellante beperkingen heeft ten aanzien van lopen, maar geschikt is voor haar eigen werk, dat voornamelijk zittend wordt uitgevoerd, waarbij vertreden mogelijk is. Ook is inzichtelijk toegelicht waarom appellante niet beperkt is voor beeldschermwerk en dat er geen aanwijzingen zijn om appellante te volgen in haar standpunt dat bij haar sprake is van psychische beperkingen op grond van een depressie. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de vervoersproblemen naar en van de werkplek terecht overwogen dat daarvoor een vervoersvoorziening kan worden ingezet. De rechtbank heeft overigens geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank is voorbijgegaan aan het feit dat zij lijdt aan polyneuropathie. Volgens appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het onderzoek onvoldoende rekening gehouden met de gezondheidscomplicaties die optreden bij dit genetisch defect en de impact daarvan op appellante. De klachten bestaan uit bewegingsklachten, evenwichtsproblemen, pijn, doof gevoel, prikkelingen, tintelingen, veranderd gevoel, kramp, dunner worden van spieren en zwakte. Als gevolg hiervan heeft appellante diverse beperkingen en kan zij nauwelijks functioneren. Zij heeft meerdere keren haar voeten en enkel gebroken en na de laatste val zijn de pijnklachten toegenomen. Appellante is geenszins in staat de maatgevende arbeid te verrichten. Ten onrechte wordt ervan uitgegaan dat sprake was van voornamelijk zittend werk. Zij moest regelmatig lopen, knielen, hurken, reiken, tillen en dragen. Bij appellante is ook sprake van concentratieproblemen en depressie. Volgens appellante is sprake van een onredelijke bewijspositie. Zij verzoekt een onafhankelijke arts die de medische beperkingen op objectieve wijze kan vaststellen. Tot slot heeft appellante gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Bovendien is haar vervoersprobleem niet beperkt tot woon-werkverkeer; zij heeft ook op het werk ondersteuning nodig om bij haar werkplek te komen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 februari 2026 toegelicht, dat het strikt genomen gaat om een hersteldverklaring per 12 november 2023 in verband met geschiktheid voor het eigen werk. Van 9 november 2023 tot laatstgenoemde datum heeft het Uwv wel aangenomen dat appellante haar werk niet kon verrichten in verband met een voetblessure. In verband met de wachtdagen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder d, van de ZW bestond echter desondanks op 9 november 2023 geen recht op uitkering.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 23 februari 2026 inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de door appellante in de beroepsfase in het geding gebrachte medische informatie geen aanleiding geeft tot een wijziging van het eerder ingenomen standpunt. De stukken zien op data ver voor de datum in geding, variërend van tien tot drie jaar, en bevestigen al bekende en in de beoordeling betrokken informatie. Ook de brief van de huisarts van 9 augustus 2023 behelst geen informatie waaruit blijkt dat sprake is van toegenomen klachten of beperkingen.
5.4.
De op 27 maart 2026 door appellante ingezonden stukken van de behandelend sector werpen naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de medische situatie van appellante op de datum in geding. Daarbij wordt aangetekend dat een aantal van deze stukken al eerder in de procedure door appellante in het geding was gebracht en al door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beoordeling was betrokken.
5.5.
Voor zover het betoog van appellante dat zij in een onredelijke bewijspositie verkeert, zo moet worden opgevat dat zij vindt dat in deze procedure zonder benoeming van een deskundige sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wordt het volgende overwogen. Het beginsel van equality of arms vergt een balans voor partijen in hun mogelijkheden om bewijsmateriaal aan te dragen, die de rechter in staat moet stellen een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Appellante heeft in diverse stadia van het geding medische informatie overgelegd die naar haar aard geschikt is om twijfel te zaaien aan het standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv. Niet aannemelijk is dat medische informatie heeft ontbroken waardoor de Raad geen goed beeld van de beperkingen van appellante heeft kunnen krijgen. Het beginsel van equality of arms is dan ook niet geschonden. Appellante heeft, kort gezegd, voldoende de gelegenheid gehad – en van deze gelegenheid gebruik gemaakt – om wat de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangevoerd ter onderbouwing van het bestreden besluit met medische stukken te weerleggen.
5.6.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling en gelet op wat in 5.5 is overwogen over het beginsel van equality of arms, wordt geen aanleiding gezien voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Later door de verzekeringsarts bezwaar en beroep iets genuanceerd, zie onder 4.