Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:628

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/1293 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen bevestigd in hoger beroep

Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van haar medische situatie en vermeend gebrek aan arbeidsvermogen vanaf haar achttiende verjaardag. Het UWV weigerde de uitkering na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarop appellante bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellante wel over arbeidsvermogen beschikte.

In hoger beroep betwistte appellante vooral de arbeidskundige beoordeling, stellende dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikte. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het UWV terecht concludeerde dat appellante in staat is om gestructureerd werk te verrichten, mede gelet op haar opleiding, werkervaring en zelfstandigheid in het dagelijks leven.

Ook de beoordeling van de medische situatie in de vijf jaar na haar achttiende verjaardag leverde geen aanwijzingen op voor verslechtering die tot een Wajong-uitkering zou leiden. Het hoger beroep werd verworpen, het bestreden besluit bleef in stand en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellante over arbeidsvermogen beschikt.

Uitspraak

25/1293 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2025, 24/3661 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2015 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft een brief van 26 maart 2026 met bijlagen ingezonden.
Namens appellante is een brief van 13 april 2026 met bijlage ingezonden.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Thiescheffer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 21 juli 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante vanaf haar achtste levensjaar ondersteuning nodig heeft. Er is hulp in de huishouding en sprake van bewindvoering. Sinds 2014 ontvangt zij psychologische ondersteuning. Bij de aanvraag is een rapportage WMO van 17 april 2023 gevoegd en patiëntgegevens van 5 september 2023. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 21 december 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 24 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien voor het oordeel dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank overwogen dat geen geschil bestaat over de medische aandoeningen van appellante. Als gevolg van een licht verstandelijke beperking, een zich mogelijk ontwikkelende borderline persoonlijkheidsstoornis, angstklachten en depressieve klachten is sprake van duurzame functionele beperkingen, die al vanaf haar jeugd en ook op achttienjarige leeftijd bestonden. De rechtbank volgt de conclusies van de verzekeringsartsen dat er geen medische redenen zijn op grond waarvan appellante niet in staat kan worden geacht om gedurende ten minste één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. De aandoeningen zijn niet van dien aard dat dat onmogelijk is. Daarnaast geeft het dagverhaal geen aanwijzingen voor structurele rustmomenten. Dat appellante bij huishoudelijke activiteiten wordt geholpen door haar moeder maakt de beoordeling niet anders. De klachten van appellante zijn onderkend en op navolgbare wijze meegewogen bij de beoordeling. Ook heeft de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat appellante beschikt over werknemersvaardigheden en een taak zou kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie, mits sprake is van gestructureerd en afgebakend werk, waarbij mondelinge instructies worden gegeven. In een rustige prikkelarme omgeving wordt appellante in staat geacht in een arbeidsorganisatie te kunnen participeren.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het arbeidskundig onderzoek deugdelijk heeft geacht. Er is te weinig rekening gehouden met de beschikbare medische informatie. Hieruit blijkt dat appellante niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Zo blijkt uit een rapport van Inter-Psy uit 2014 dat appellante moeite heeft om zich te concentreren en vaak met haar aandacht er niet bij is. Gesteld is dat appellante afspraken vergeet.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per [geboortedatum] 2015 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) en in de vijf jaar daarna arbeidsvermogen heeft.
5.3.
Appellante heeft uitdrukkelijk alleen de arbeidskundige beoordeling aangevochten. De Raad acht het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid juist. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.4.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de opleiding en het arbeidsverleden van appellante geconcludeerd dat zij over basale werknemersvaardigheden beschikt. Daarbij is toegelicht dat hoewel het uitvoeren van de werkzaamheden in de slagerij van een neef voor appellante moeilijk was wegens haar prikkelgevoeligheid, zij wel in staat is geweest tijdig naar het werk te gaan, mondelinge opdrachten te begrijpen en gezag te accepteren. Uit haar dagverhaal komt naar voren dat zij grotendeels zelfstandig kan functioneren. Zo brengt en haalt zij haar zoontje van school en doet zij haar eigen huishouding en boodschappen. Verder heeft zij een rijbewijs. Dat zij begeleiding heeft bij huishoudelijke taken en administratie betekent niet dat zij aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering voldoet.
5.5.
De in hoger beroep door appellante overgelegde verklaring van het [naam College] van 13 april 2026, waar appellante van 1 augustus 2014 tot 2 februari 2016 de opleiding [naam opleiding] (niveau 1) heeft gevolgd, maakt de beoordeling niet anders. In die verklaring is onder meer melding gemaakt van het afbreken van stages wegens onvoldoende aanwezigheid ondanks activering en begeleiding en dat er geen perspectief was voor het behalen van het diploma. Deze informatie komt overeen met de al in het dossier beschikbare gegevens en werpt geen nieuw licht op de beoordeling.
5.6.
Ook is niet gebleken dat appellante de taak van stofzuigen niet zou kunnen vervullen. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft toegelicht dat het bij de taak stofzuigen om gestructureerd werk gaat met een afgebakende taak, waarin zelfstandig gewerkt wordt. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van appellante dat zij die taak niet zou kunnen vervullen.
5.7.
Tenslotte wordt overwogen dat bij een laattijdige aanvraag als hier aan de orde naast een beoordeling aan de hand van de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong beoordeeld dient te worden of een betrokkene op grond van artikel 1a:1, tweede lid, alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en in aanmerking komt voor een Wajonguitkering, omdat hij op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden. Dit onderzoek heeft het Uwv met een rapport van 26 maart 2026 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen zijn dat de medische situatie van appellante in de vijf jaar na [geboortedatum] 2015 is verslechterd. Deze beoordeling wordt niet onjuist geacht.
5.8.
Uit 5.1 tot en met 5.7 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in het standpunt dat appellante op [geboortedatum] 2015 beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. Dit geldt ook voor de periode tot vijf jaar na [geboortedatum] 2015. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbeantwoord blijven.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Uit 5.7 volgt dat het Uwv in hoger beroep een gebrek aan het bestreden besluit heeft hersteld. Aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld, omdat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de schending worden gepasseerd en wordt het bestreden besluit in stand gelaten. Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand en een vergoeding voor de reiskosten van appellante van en naar de zitting ter waarde van € 96,14, in totaal € 3.832,14. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.832,14;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz