Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:599

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/2616 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 13 Vo 1408/71Art. 1 Vo 1408/71Art. 2 Vo 1408/71Algemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-pensioen wegens verblijf in Nederland tussen 2004 en 2009

Appellant had een AOW-pensioen toegekend gekregen met korting vanwege vermeende niet-verzekerde jaren. Hij stelde dat hij tussen november 2004 en december 2009 in Nederland woonde en daardoor verzekerd was voor de AOW. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees zijn verzoek om herziening af, waarop appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad beoordeelde de bewijsstukken, waaronder verklaringen van derden, poststukken, agenda’s en een akte van levering van de woning, en concludeerde dat appellant voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de betreffende periode het centrum van zijn belangen in Nederland had. De Raad volgde de vaste rechtspraak van het HvJ EU over de beoordeling van woonplaats en verzekeringsplicht.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van de Svb, en bepaalde dat appellant verzekerd was voor de AOW van 1 november 2004 tot en met 31 december 2009. Het AOW-pensioen wordt vanaf mei 2022 herzien zonder korting voor die periode. Tevens werd appellant een vergoeding toegekend voor proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Appellant wordt verzekerd geacht voor de AOW van november 2004 tot december 2009 en zijn pensioen wordt vanaf mei 2022 herzien zonder korting.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2616 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2024, 24/2089 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] , Spanje (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 30 april 2026

SAMENVATTING

In deze uitspraak beoordeelt de Raad de afwijzing door de Svb van het verzoek van appellant om verhoging van zijn AOW-pensioen. De Raad oordeelt dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf november 2004 tot en met december 2009 in Nederland woonde. Hij is voor dat tijdvak verzekerd geweest voor de AOW. Met een jaar terugwerkende kracht vanaf het laatste herzieningsverzoek, moet het AOW-pensioen van appellant worden verhoogd.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. van der Vlist.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Aan appellant is bij besluit van 25 februari 2021 met ingang van 6 oktober 2019 een AOW [1] -pensioen toegekend ter hoogte van 68% van het volledige pensioen. Op het pensioen is een korting van 32% toegepast vanwege vijftien niet verzekerde jaren en een jaar schuldige nalatigheid. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar ingediend, waardoor het besluit van 25 februari 2021 in rechte is komen vast te staan. In oktober 2021 en februari 2023 heeft appellant de Svb gevraagd om terug te komen van het besluit van 27 november 2019 maar beide keren heeft de Svb het verzoek afgewezen.
1.2.
In mei 2023 heeft appellant de Svb voor een derde keer gevraagd om hem een hoger AOW-pensioen toe te kennen, omdat hij gedurende de periode van 2004 tot in 2012 op het adres [adres] in [plaatsnaam 1] heeft gewoond met zijn ex-partner [naam ex-partner] . Hij heeft bij dit verzoek bewijzen van inschrijvingen gevoegd van zorgverzekeraar De Friesland en verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer, verklaringen van [naam zoon ex-partner] (zoon van zijn ex-partner), [naam 1] (bevriend architect), een akte van levering van de woning aan de [adres] , diverse poststukken van appellant op het adres de [adres] en andere correspondentie.
1.3.
Met een besluit van 13 november 2023 heeft de Svb met één jaar terugwerkende kracht vanaf mei 2022 het AOW-pensioen van appellant herzien naar 74% van het volledige pensioen. Bij besluit van 27 februari 2024 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de Svb in de documenten van De Friesland en Centraal Beheer aanleiding heeft gezien appellant alsnog verzekerd te achten voor de periode 2010, 2011 en 2012. Hierdoor is appellant over een kortere periode niet verzekerd voor de AOW en wordt de korting op het pensioen verlaagd naar 26%. In de overige stukken ziet de Svb geen aanleiding om appellant voor een langere periode verzekerd te achten. Appellant is niet verzekerd over de perioden van 2 maart 1996 tot en met 31 december 1997 en van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2009.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het geschil is daarbij beperkt tot de periode van november 2004 tot en met december 2009. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bewijsstukken die appellant heeft ingediend onvoldoende aantonen dat hij in de periode in geding in Nederland heeft gewoond.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft gemotiveerd zijn beklag gedaan over de gang van zaken ten aanzien van de digitale deelname aan de hybride zitting bij de rechtbank. Uiteindelijk heeft appellant telefonisch kunnen deelnemen maar hierdoor is hem de mogelijkheid ontnomen om zijn agenda’s over de jaren in geding te laten zien. Appellant meent hierdoor in zijn belangen te zijn geschaad. Verder blijft appellant bij zijn standpunt dat hij in de periode van november 2004 tot en met december 2009 op de [adres] in [plaatsnaam 1] heeft gewoond en dus verzekerd is geweest voor de AOW. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant, naast de bewijzen die hij al had, nieuwe verklaringen overgelegd van [naam 2] (opvolgend eigenaar van de woning aan de [adres] ) en van [naam 3] (vriend van appellant) met bijlage. Op de zitting van de Raad heeft appellant de hiervoor genoemde agenda’s getoond.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
In geschil is of appellant recht heeft op een hoger AOW-pensioen dan de Svb met het bestreden besluit heeft vastgesteld. Daarbij is het geschil beperkt tot de vraag of appellant in de periode van november 2004 tot en met december 2009 in Nederland woonde en daardoor verzekerd was voor de AOW.
4.2.
Appellant heeft de Svb gevraagd om van het in rechte vaststaande besluit van 27 november 2019 terug te komen als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Svb heeft het verzoek om herziening van het besluit van 25 februari 2021 (mede) na een inhoudelijke beoordeling gedeeltelijk gehonoreerd door met één jaar terugwerkende kracht vanaf mei 2022 het AOW-pensioen te herzien naar 74% van het volledige AOW-pensioen en dit besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd. Gelet hierop zal de Raad de herziening toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit een eerste besluit over die aanvraag is. [2]
4.3.
In het bestreden besluit is het verzoek van appellant beoordeeld wat de toekomst betreft. Ook de Raad zal het verzoek van appellant beoordelen vanaf de datum van het verzoek om herziening.
4.4.
Duidelijk is geworden dat appellant tot in 1996 in Nederland heeft gewoond, in 1996 in Frankrijk heeft gewoond en van 1996 tot in november 2002 in Finland heeft gewoond en gewerkt. In de periode vanaf november 2002 tot eind 2004 heeft appellant als reisleider in verschillende Europese landen gewerkt. Er was dus sprake van een grensoverschrijdende situatie binnen de Europese Unie, waarbij het standpunt van de Svb is dat appellant aansluitend geen ingezetene was van Nederland. Voor zo’n situatie is in Europese regelgeving bepaald dat iemand tegelijkertijd maar aan de socialezekerheidswetgeving van één lidstaat onderworpen kan zijn, en zijn regels opgenomen om te bepalen welke lidstaat dat dan is.
4.5.
Appellant kan alleen voor de AOW verzekerd zijn geweest als de Nederlandse wetgeving op hem van toepassing was. Er moet dus eerst worden beoordeeld of op appellant de Nederlandse wetgeving, dan wel de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing was. Om dit te bepalen zijn regels gesteld in Vo 1408/71 [3] (voor de periode tot 1 mei 2010). Nu niet in geschil is dat appellant in de periode in geding niet in het buitenland en niet in Nederland in loondienst heeft gewerkt en niet is gebleken dat appellant nog onderworpen was aan de wetgeving van een andere lidstaat, is op hem de wetgeving van zijn woonland van toepassing. Dit is bepaald in artikel 13, eerste lid, onder f van Vo 1408/71.
4.6.
Voor de toepassing van de genoemde verordening wordt onder ‘lidstaat waar een persoon woont’ verstaan: de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU [4] moet voor de beoordeling waar iemand woont vooral worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. [5] Het is volgens het HvJ EU aan de nationale rechter om, gelet op alle relevante elementen in het dossier, te beoordelen waar zich de normale woonplaats van de betrokkene bevindt. Hierbij zijn niet de formele indicaties, zoals inschrijving in een gemeentelijk inwonersregister, doorslaggevend maar zijn de concrete feiten en omstandigheden bepalend voor de vraag of betrokkene ten tijde in geding het gewone centrum van zijn belangen in een bepaalde lidstaat had. [6]
4.7.
Alles afwegend is de Raad van oordeel dat appellant thans voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij van november 2004 tot en met december 2009, het tijdvak thans nog in geschil, het centrum van zijn belangen in Nederland had. De Raad licht dit als volgt toe.
4.8.
Appellant heeft ter ondersteuning van het verzoek om herziening aangevoerd dat hij in de periode in geding onafgebroken heeft samengewoond met zijn ex-partner op de [adres] in [plaatsnaam 1] . Appellant heeft de situatie geschetst dat hij zijn ex-partner medio 2004 heeft leren kennen in de Cotton Club in [plaatsnaam 2] . De woning op de [adres] in [plaatsnaam 1] was eigendom van zijn ex-partner, zoals blijkt uit het afschrift van de akte van levering. In november 2004 zijn appellant en zijn ex-partner gestart met de verbouwing van de [adres] en in december 2004 zijn zij daar gaan wonen. Begin 2005 is de zoon van zijn ex-partner bij hen komen wonen. Appellant stond niet ingeschreven op het adres in [plaatsnaam 1] , omdat zijn ex-partner hierop tegen was. In september 2006 is de moeder van appellant opgenomen op een gesloten afdeling van een verzorgingshuis voor dementerenden in [plaatsnaam 1] . In die periode heeft appellant haar vrijwel dagelijks bezocht. Appellant heeft in de periode in geding niet gewerkt, maar leefde van leningen, spaargeld en de nalatenschap van beide ouders.
4.9.
De stelling van appellant dat hij in de periode in geding woonplaats had in Nederland wordt gesteund door een aantal gedetailleerde verklaringen. [naam 3] heeft schriftelijk verklaard dat hij appellant in augustus 2004 in de Cotton Club heeft leren kennen. Niet veel later heeft appellant daar zijn ex-partner leren kennen. [naam 3] en zijn echtgenote gingen geregeld op bezoek bij appellant en zijn ex-partner op de [adres] , aten dan samen en ontmoetten daar ook de zoon van de ex-partner.
4.10.
[naam 1] heeft schriftelijk verklaard dat hij eind 2004 bouwkundig advies aan appellant heeft gegeven over de verbouwing van de [adres] . Vanaf medio 2005 bezocht hij samen met appellant wekelijks de Cotton Club.
4.11.
Verder is een schriftelijke verklaring voorhanden van [naam zoon ex-partner] , zoon van de expartner van appellant. Hierin bevestigt hij van februari 2005 tot medio augustus 2007 bij zijn moeder en appellant op de [adres] te hebben gewoond en hen daarna alleen nog in weekenden te hebben bezocht tot september 2011.
4.12.
Ook is er een schriftelijke verklaring van [naam 2] , die appellant sinds 2015 kent, zij waren gezamenlijk bestuurders van een stichting en ontmoetten elkaar ook in de privésfeer, en die de woning van de ex-partner heeft gekocht in 2020. Hoewel zijn verklaring niet uit eigen waarneming ziet op de periode in geding, heeft hij bij de verklaring een handgeschreven schrijven gevoegd uit oktober 2004. Appellant had dit schrijven ontvangen van de dochter van de verkopers van de [adres] voordat zijn ex-partner eigenaar werd, met een instructie over het voeren van de tuinvogels.
4.13.
De door appellant geschetste feiten en omstandigheden ziet de Raad verder overtuigend gesteund door de agenda’s over de in geding zijnde jaren die appellant op zitting heeft laten zien. Daarin zijn vele aantekeningen opgenomen over de dagelijkse bezigheden van appellant in die periode waaruit blijkt dat die in Nederland hebben plaatsgevonden. De mantelzorg voor zijn moeder bijvoorbeeld betrof bijna wekelijkse (medische) afspraken in Nederland. Het is aannemelijk dat appellant de mantelzorg ook zelf verleende omdat hij bijvoorbeeld in zijn agenda de (medische) stand van zaken beschreef en later de namen van zorgpersoneel noteerde met een uiterlijk kenmerk ter herinnering. Ook de overige afspraken en andere aantekeningen in de agenda’s betroffen bijna wekelijks bezigheden, plaatsen en telefoonnummers in Nederland. Zij stroken met de door appellant en de personen genoemd in 4.9 tot en met 4.12 verstrekte informatie over de loop van zijn leven en zijn bezigheden gedurende de jaren in geding Verder wordt het betoog van appellant ondersteund door diverse poststukken die hij in geding heeft gebracht. Deze poststukken zijn verzonden in het tijdvak in geding en zijn (mede) aan appellant gericht op het adres [adres] in [plaatsnaam 1] .
4.14.
Uit de verklaringen, tezamen met de agenda’s, de poststukken en de overige stukken in onderlinge samenhang bezien vloeit een consistent beeld voort dat het gewone centrum van de belangen van appellant, zich in Nederland bevond. Daarbij acht de Raad verder van belang dat in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden dat appellant zich in de periode in geding in een ander land dan Nederland bevond. Nu aannemelijk is dat appellant woonplaats in Nederland had, was op hem de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing en was hij verzekerd voor de AOW.
4.15.
Dit betekent dat het AOW-pensioen van appellant moet worden herzien vanaf mei 2022, met één jaar terugwerkende kracht vanaf het derde verzoek om herziening. Vanaf mei 2022 mag op het AOW-pensioen van appellant geen korting meer worden toegepast voor het tijdvak van 1 november 2004 tot en met 31 december 2009.
4.16.
Nu appellant op zitting van de Raad alsnog in de gelegenheid is gesteld om zijn agenda’s over de in geding zijnde jaren te tonen, kan in het midden blijven of appellant door de handelwijze van de rechtbank in zijn belangen is geschaad.

Conclusie en gevolgen

4.17.
Wat hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. De Raad zal het primaire besluit van 13 november 2023 herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellant verzekerd is ingevolge de AOW van 1 november 2004 tot en met 31 december 2009.
5. Omdat appellant gelijk krijgt, krijgt hij een vergoeding voor de proceskosten die hij in beroep en hoger beroep heeft gemaakt voor verleende rechtsbijstand. In beroep is van deze kosten niet gebleken. In hoger beroep worden deze kosten begroot op € 82,32 aan reiskosten. De Svb moet ook het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2024;
  • herroept het besluit van 13 november 2023;
  • bepaalt dat appellant verzekerd is ingevolge de AOW van 1 november 2004 tot en met 31 december 2009, dat de hoogte van het AOW-pensioen van appellant in verband daarmee vanaf mei 2022 wordt herzien en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 27 februari 2024;
  • veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 82,32;
  • bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

De griffier is verhinderd te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Verordening EG 1408/71
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening:
a. a) wordt onder „werknemer" en onder „zelfstandige" respectievelijk verstaan ieder:
i) die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers of zelfstandigen van toepassing is
(…)
h) wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats;
i. i) wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats;
(…)
Artikel 2 (tekst vanaf 1 januari 1982)
Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van één of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van één der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van één der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.
Artikel 13
1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
a. a) is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid- Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat;
(…)
f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
3.Verordening (EEG) nr. 1408/71.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.Vgl. HvJ EU 17 februari 1977, C-76/76 (
6.HvJ EU 5 juni 2014, C-255/13 (