Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:595

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/2275 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens Duitse bankrekening en onvoldoende schuld aannemelijk gemaakt

Appellant, voormalig notaris, vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college wees de aanvraag af omdat appellant beschikte over een Duitse bankrekening met een saldo dat hoger was dan de vermogensgrens en hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij voldoende schulden had om dit saldo te compenseren.

Appellant voerde aan dat de Duitse bankrekening niet van hem was maar van een kerkgenootschap waarvoor hij als procurator-generaal fungeerde, en dat hij aanzienlijke schulden had, waaronder een dwangsomschuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat de aangevoerde schulden niet voldoende waren onderbouwd en dat het saldo op de Duitse bankrekening tot het vermogen van appellant behoort. De ingediende stukken, waaronder e-mailcorrespondentie en vaststellingsovereenkomsten, leidden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd omdat appellant kan beschikken over een Duitse bankrekening met saldo boven de vermogensgrens en onvoldoende schuld aannemelijk heeft gemaakt.

Uitspraak

24/2275 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 augustus 2024, 23/10040 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tholen (college)
Datum uitspraak: 28 april 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant kan beschikken over een banksaldo op een Duitse bankrekening, dat dit saldo hoger is dan de voor hem geldende vermogensgrens en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking te nemen schulden heeft. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet kan beschikken over de Duitse bankrekening en dat hij schulden heeft die hoger zijn dan het saldo op zijn bankrekening. Hierin krijgt hij, net als bij de rechtbank, geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 maart 2026. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P.G.M. Zomers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als notaris. Op 30 juni 2022 heeft hij zich bij het college gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Participatiewet. Op het ingediende aanvraagformulier heeft appellant onder meer opgegeven dat hij inwonend is en na zijn ontzetting uit zijn ambt als notaris geen inkomen meer heeft. Appellant heeft verder opgegeven dat hij leefde van de goedheid van andere medebewoners en dat hij geen vermogen en een schuld van € 1.300.000,- heeft.
1.2.
Met brieven van 30 augustus 2022, 3 oktober 2022 en 8 en 15 november 2022 heeft appellant zijn aanvraag desgevraagd aangevuld. Appellant heeft meegedeeld dat hij als vrijwilliger bestuursfuncties bekleedt in verschillende besloten vennootschappen ten behoeve van kerkgenootschap X en dat hij is benoemd tot procurator-generaal van dit kerkgenootschap en in die hoedanigheid een Duitse bankrekening beheert. Deze bankrekening staat op zijn naam, maar is eigendom van kerkgenootschap X. Appellant heeft nadere stukken ingediend, waaronder een vaststellingsovereenkomst van 29 augustus 2022 over een schuld van € 1.090.000,- aan Y, bankafschriften van de Duitse bankrekening, een vaststellingsovereenkomst van 10 november 2022 over verpanding en onmiddellijke opeisbaarheid van de schuld aan Y, uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en ook financiële stukken van de besloten vennootschappen. Uit de bankafschriften blijkt dat het tegoed op de Duitse bankrekening op 30 juni 2022 € 91.766,85 en op 30 augustus 2022 € 87.764,84 bedroeg. Uit de bankafschriften blijkt ook dat er vanaf deze rekening verschillende betalingen voor appellant zijn gedaan, onder andere voor verzekeringspremies en nota’s voor medische kosten. Op 27 februari 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, zijn toenmalige gemachtigde en twee medewerkers van de gemeente.
1.3.
Met een besluit van 21 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 augustus 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant kan beschikken over het banksaldo van de op zijn naam staande Duitse bankrekening en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een in aanmerking te nemen schuld heeft. Het banksaldo is hoger dan de voor appellant geldende vermogensgrens, zodat hij geen recht heeft op bijstand.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. [1]
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij voert, net als bij de rechtbank, aan dat het saldo op de Duitse bankrekening niet van hem maar van het kerkgenootschap is. Het is in katholieke kerken zeer gebruikelijk dat aan een geestelijk ambtsdrager, zoals appellant als procurator-generaal, de ziektekosten worden betaald. Daarnaast is de vaststellingsovereenkomst van 29 augustus 2022 tussen appellant en Y rechtsgeldig, zodat het college zijn schuld aan Y ten onrechte niet heeft meegenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een groot aantal nadere stukken ingediend, waaronder een ondertekende verklaring van 16 september 2016, correspondentie uit 2016 met de Rabobank en door hem zelf opgestelde stukken, zoals een mandaatverklaring. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij ook nog een schuld heeft aan Z. Dit is een dwangsomschuld van € 2.002.379,29 die appellant als gevolg van een civielrechtelijk vonnis aan mevrouw Z verschuldigd is en die het college ook ten onrechte niet heeft meegenomen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een deurwaardersexploot van de gestelde dwangsomschuld van 15 september 2025 ingediend.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Ook in hoger beroep is tussen partijen in geschil of het saldo op de Duitse bankrekening tot het vermogen van appellant behoort en of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij een in aanmerking te nemen schuld heeft.
4.2.
Wat appellant onder 3 aanvoert is, afgezien van de gestelde schuld aan Z, een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Hij volstaat hier met verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen in punt 7 tot en met 10.3 van de aangevallen uitspraak, die is gepubliceerd op Rechtspraak.nl, en neemt deze overwegingen over.
4.3.
De in hoger beroep ingediende nadere stukken, die ter zitting uitvoerig zijn besproken, leiden om de volgende redenen niet tot een ander oordeel. Uit de onder meer door appellant en mevrouw Y ondertekende verklaring van 16 september 2016, de overgelegde e-mailcorrespondentie uit 2016 met de Rabobank en de brief van 2 augustus 2016 van de Rabobank, blijkt dat Y ten behoeve van appellant weliswaar een betaling heeft verricht, maar niet dat die betaling bij wijze van geldlening is gedaan. Aan de door appellant zelf opgestelde stukken, waaronder de mandaatverklaring, kan niet de betekenis worden toegekend die hij daar aan toegekend wenst te zien. Dat is alleen al zo omdat de daarin opgenomen stellingen niet met concrete en verifieerbare stukken worden onderbouwd.
4.4.
De beroepsgrond over de dwangsomschuld aan Z slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om een schuld die al bestond op het moment dat hij de aanvraag om bijstand deed. Het ingediende deurwaardersexploot van 15 september 2025 is daarvoor niet toereikend, alleen al omdat daaruit niet blijkt dat de daarin vermelde dwangsommen al verschuldigd waren op 30 juni 2022.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) C.E.A. Tessemaker