ECLI:NL:CRVB:2026:562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens diverse gezondheidsklachten, waaronder pijn aan de rechtervoet. Het UWV heeft vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en heeft de uitkering geweigerd. Appellante betwistte dit en stelde dat haar beperkingen onderschat zijn, met name op het gebied van lopen, staan, buigen en psychische klachten.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek had verricht en gaf opdracht tot een nieuw besluit. Na aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige handhaafde het UWV de weigering. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige rapporten als voldoende gemotiveerd en betrouwbaar beschouwde.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft appellante geen nieuwe medische stukken ingebracht en werden haar bezwaren als herhaling van eerdere gronden beoordeeld. De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en juist zijn uitgevoerd, dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.