ECLI:NL:CRVB:2026:562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, die zich in 2018 ziekmeldde met diverse klachten, waaronder pijn aan de rechtervoet, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Na bezwaar en beroep stelde een verzekeringsarts een gewijzigde FML op met zwaardere fysieke beperkingen, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond vanwege het ontbreken van een spreekuurcontact met een verzekeringsarts, en beval een nieuw besluit. Het UWV handhaafde opnieuw de weigering na een medisch onderzoek in 2023. De rechtbank bevestigde dit besluit, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen, met name op het gebied van lopen, staan, buigen, knielen en psychische klachten, waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet, stelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist en voldoende gemotiveerd waren, en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.