Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:562

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/1016 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante, die zich in 2018 ziekmeldde met diverse klachten, waaronder pijn aan de rechtervoet, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Na bezwaar en beroep stelde een verzekeringsarts een gewijzigde FML op met zwaardere fysieke beperkingen, maar het UWV handhaafde het besluit.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond vanwege het ontbreken van een spreekuurcontact met een verzekeringsarts, en beval een nieuw besluit. Het UWV handhaafde opnieuw de weigering na een medisch onderzoek in 2023. De rechtbank bevestigde dit besluit, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.

Appellante voerde aan dat haar beperkingen, met name op het gebied van lopen, staan, buigen, knielen en psychische klachten, waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet, stelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist en voldoende gemotiveerd waren, en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/1016 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2025, 23/7348 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante per 29 juli 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Voor appellante is via videobellen mr. Shaaban verschenen. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als onderwijsassistente voor 24 uur per week. Op 1 augustus 2018 heeft zij zich ziekgemeld wegens diverse gezondheidsklachten, waaronder pijnklachten aan de rechtervoet. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 juli 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en heeft vervolgens voor appellante passende functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 11 augustus 2020 geweigerd appellante met ingang van 29 juli 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 24 maart 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de door de primaire arts opgestelde belastbaarheid correctie/aanvulling behoeft en heeft op 8 maart 2021 een gewijzigde FML opgesteld, waarin zwaardere fysieke beperkingen zijn aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de gewijzigde FML een van de geselecteerde functies laten vallen, maar heeft op basis van de overige functies de conclusie dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is gehandhaafd.
1.3.
Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 25 mei 2023 het beroep gegrond verklaard, omdat zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact waarbij appellante is onderzocht door een verzekeringsarts. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is bepaald.
1.4.
Bij besluit van 29 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 september 2023 ten grondslag naar aanleiding van een spreekuurcontact van 11 augustus 2023, waarbij appellante lichamelijk en psychisch is onderzocht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 25 september 2023 de psychische en fysieke klachten van appellante kenbaar meegewogen en gemotiveerd toegelicht tot welke beperkingen deze leiden. De grootste klacht van appellante heeft betrekking op lopen, en daarmee moet rekening worden gehouden met een forse beperking voor staan en lopen. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische grond om appellante verder beperkt te achten voor het buigen. De rechtbank heeft verder overwogen dat ook voor wat betreft knielen en hurken gemotiveerd wordt aangegeven waarop de beperkingen voor arbeid zijn gebaseerd. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellante ook beperkt wordt geacht voor zwaardere fysieke belasting.
2.1.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor wat betreft het medicijngebruik de beschikbare informatie heeft beoordeeld en daarover heeft gerapporteerd. Niet is gesteld dat de verzekeringsarts is uitgegaan van onvolledige of onjuiste informatie. Uit de beoordeling en toelichting van de verzekeringsarts blijkt dat het gebruik van de voorgeschreven medicatie objectief gezien geen beperkingen met zich meebrengt op het gebied van persoonlijk risico. In het medisch rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder opgemerkt dat er medisch gezien geen aanleiding bestaat appellante verder te beperken op het handelingstempo, eigen gevoelens uiten en samenwerken. Psychische klachten lijken niet aanwezig te zijn geweest op de datum in geding, in ieder geval niet op de voorgrond, en voor zover appellante meent dat deze klachten zijn onderschat, is dat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet met toetsbare objectieve medische informatie onderbouwd. Het is aan appellante om te onderbouwen dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Dat is volgens de rechtbank niet, althans onvoldoende, gebeurd. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische belastbaarheid en de functionele mogelijkheden van appellante heeft de rechtbank in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien te twijfelen aan haar medische belastbaarheid zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft vastgesteld.
2.2.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat er geen medische indicatie aanwezig is om een urenbeperking aan te nemen. Appellante voldoet niet aan de criteria zoals deze in de standaard Duurbelasting in Arbeid zijn verwoord.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Er hadden beperkingen moeten worden aangenomen voor buigen en frequent buigen tijdens het werk en knielen . Ook hadden sterkere beperkingen moeten worden aangenomen voor lopen tijdens het werk, staan en staan tijdens het werk en knielen. Dat appellante een uur op een dag kan lopen en twee uur kan staan, is onjuist. Dit volgt ook uit het feit dat appellante is aangewezen op haar rolstoel of krukken. Daarnaast meent appellante dat zij aangewezen is op werk waarbij kan worden afgewisseld in houding. Ook had een beperking moeten worden aangenomen op persoonlijk risico vanwege afgenomen alertheid door medicijngebruik. Verder meent appellante dat te weinig rekening is gehouden met haar psychische klachten, die ook al aanwezig waren op de datum in geding. Gelet daarop hadden er beperkingen in acht moeten worden genomen op handelingstempo, eigen gevoelens uiten en samenwerken. Tevens is appellante, gelet op haar slaapproblemen, aangewezen op een urenbeperking.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling.
5.3.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een letterlijke herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
5.4.
In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische stukken ingediend. Er bestaat geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het oordeel van de rechtbank dat met de FML van 8 maart 2021 in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding bij appellante bestaande fysieke en psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid.
5.5.
Daaraan wordt nog toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 8 maart 2021 en 25 september 2023 voldoende gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat appellante vijf minuten achtereen kan lopen en dat dat verdeeld over de dag tot een uur mogelijk is. Daarbij is toegelicht dat appellante ook hulpmiddelen kan gebruiken zoals, bij voorkeur, een elektrische rolstoel. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellante in staat moet worden geacht vijftien minuten achtereen te kunnen staan tot twee uur in totaal op een dag. Op het medicatiegebruik van appellante is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 8 maart 2022 uitgebreid ingegaan. Wat betreft de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 september 2023 opgemerkt dat uit de medische stukken niet blijkt dat voor de psychische klachten meer beperkingen dan reeds aangenomen in de FML van 8 maart 2021 moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nog nadere medische informatie opgevraagd bij de psycholoog waar appellante in behandeling was, maar die informatie is – ook na rappel – niet ontvangen. Ook heeft appellante zelf geen nadere informatie ingebracht.
Arbeidskundige beoordeling
5.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 8 maart 2021 zijn de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt voor appellante. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante met ingang van 29 juli 2020 een WIA-uitkering toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) F.M. Gerritsen