AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en toekenning WGA-uitkering
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uwv om haar per 21 april 2020 een WGA-uitkering toe te kennen in plaats van een IVA-uitkering, omdat haar volledige arbeidsongeschiktheid volgens haar duurzaam zou zijn. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd.
De Raad heeft een onafhankelijke verzekeringsarts benoemd die concludeerde dat de beperkingen van appellante, zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 april 2020, duurzaam zijn behalve de beperkingen aan de handen en de urenbeperking. Deze conclusie is gebaseerd op een zorgvuldig dossieronderzoek, gesprekken met appellante en medische gegevens. De Raad volgt deze deskundige en ziet geen reden om het oordeel te verwerpen.
Appellante heeft betoogd dat ook haar handklachten duurzaam zijn, maar dit is niet onderbouwd met nieuwe medische stukken. De Raad overweegt dat de duurzaamheid moet worden beoordeeld op het moment van de datum in geding en dat latere inzichten niet met terugwerkende kracht tot een andere beoordeling leiden.
De Raad concludeert dat het Uwv terecht geen IVA-uitkering heeft toegekend en de WGA-uitkering in stand mag blijven. Hoewel het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 AwbPro omdat de onderbouwing pas in hoger beroep is gegeven, wordt deze schending gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het Uwv heeft terecht een WGA-uitkering toegekend omdat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante per 21 april 2020 niet duurzaam is.
Uitspraak
21/2530 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 juni 2021, 21/1013 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 mei 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante per 21 april 2020 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is. Volgens appellante zijn alle beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.L.M. Klinkhamer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkhamer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
Het onderzoek is na de zitting heropend. De Raad heeft verzekeringsarts L. GrevelingFockens als onafhankelijke deskundige benoemd. Op 4 februari 2025 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht.
Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv nadere stukken ingediend. Appellante heeft een zienswijze op het rapport ingediend.
Vervolgens heeft M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, als opvolger van GrevelingFockens, op 2 juli 2025 gereageerd op de zienswijzen van appellante en het Uwv.
De Raad heeft de zaak opnieuw behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Voor appellante is mr. Klinkhamer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 18 mei 2020 heeft het Uwv appellante met ingang van 21 april 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Appellante is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht. De beperkingen van appellante per 21 april 2020 zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 april 2020.
1.2.
Bij besluit van 27 januari 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat ten onrechte niet al haar beperkingen, zoals opgenomen in de FML van 29 april 2020, zijn aangemerkt als duurzaam.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Benoeming deskundige
4.1.
Gelet op de bij de Raad ontstane twijfel over de vraag of het standpunt van het Uwv kan worden gevolgd, inhoudende dat de per 21 april 2020 duurzaam geachte beperkingen van appellante de beperkingen zijn zoals die zijn neergelegd in een eerdere FML van 3 juni 2014. Uit de beschikbare medische gegevens komt naar voren dat appellante een breed scala aan klachten heeft waarvoor zij, ook na 2014, is behandeld en waarvan zij heeft aangevoerd dat deze klachten/beperkingen duurzaam zijn.
4.2.
Greveling-Fockens heeft in haar rapport van 4 februari 2025 geconcludeerd dat bij appellante op 21 april 2020 sprake was van een aanpassingsstoornis en een beperkte hand- en duimfunctie rechts op basis van een overbelaste spier. Greveling-Fockens heeft voor appellante op 21 april 2020 meer duurzame beperkingen aangenomen dan de beperkingen, zoals die zijn opgenomen in de FML van 3 juni 2014. De belastbaarheid zoals geldig op datum in geding conform de FML van 29 april 2020 was duurzaam, behalve de beperkingen van de rechterhand/duim en de urenbeperking, waarvoor volgens GrevelingFockens in het geheel geen grond was. Voor de klachten van de rechterhand en duim waren voor appellante nog behandelmogelijkheden. Voor die klachten werd appellante door het Handencentum behandeld met een duim/polsbrace.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het rapport van Greveling-Fockens in een rapport van 20 februari 2025 de door Greveling-Fockens duurzaam geachte aanvullende psychische beperkingen overgenomen en in een fictieve FML van 20 februari 2025 aanvullende beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 26 februari 2025 geconcludeerd dat op basis van deze fictieve FML functies kunnen worden geduid en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 32,27%. Gelet daarop heeft het Uwv geen aanleiding gezien het bestreden besluit te wijzigen.
4.4.
Appellante heeft een zienswijze op het rapport van Greveling-Fockens ingediend en gereageerd op de nadere rapporten van het Uwv. Appellante meent dat ook haar handklachten duurzaam zijn. Achteraf is gebleken dat de beperkingen betreffende de handklachten voortvloeien uit de psychische klachten, die duurzaam zijn geacht. De destijds verwachte verbetering, is gebaseerd op een verkeerde diagnose. Ook is de urenbeperking, zoals die is aangenomen in de FML van 29 april 2020, volgens appellante duurzaam.
4.5.
Op 2 juli 2025 heeft Wolff-van der Ven gereageerd op de zienswijze van appellante. Zij heeft opgemerkt dat het aspect duurzaamheden moet worden beoordeeld vanuit de inzichten en medische stand van zaken op het te beoordelen moment zelf. Achteraf gebleken nieuwe inzichten en niet-succesvolle behandelingen geven niet met terugwerkende kracht alsnog recht op een aanname van duurzaamheid. Verder heeft zij opgemerkt dat ook bij een invloed van psychische problematiek bij ervaren pijnklachten er tevens wel sprake kan zijn geweest van overbelasting van een spier. Van de behandeling die plaatsvond op de datum in geding mocht nog enig resultaat worden verwacht ten aanzien van de aangegeven beperkingen. Het feit dat de verbetering uiteindelijk niet is gebleken, maakt de inschatting voor wat betreft de verwachtingen op de datum in geding niet anders.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een WGA-uitkering aan appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Niet in geschil is dat appellante op 21 april 2020 volledig arbeidsongeschikt is. In geschil is of de volledige arbeidsongeschiktheid geacht moet worden duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 vanPro de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
5.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 vanPro de Wet WIA. [1] Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
5.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van Greveling-Fockens van 4 februari 2025, aangevuld met het rapport van Wolff-van der Ven, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Greveling-Fockens heeft dossieronderzoek verricht, appellante via beeldbellen gesproken en alle medische informatie van diverse artsen uitdrukkelijk betrokken bij haar beoordeling
5.4.
Greveling-Fockens heeft uitvoerig gemotiveerd uiteengezet hoe zij tot de conclusie is gekomen dat de voor appellante geldende beperkingen, zoals opgenomen in de FML van 29 april 2020, duurzaam zijn, behalve de beperkingen aan de handen en de urenbeperking. Er zijn geen aanknopingspunten dit oordeel niet te volgen. Appellante heeft haar standpunt niet met nadere medische stukken onderbouwd.
5.5.
De Raad concludeert dat alsnog voldoende inzichtelijk is onderbouwd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante per 21 april 2020 niet duurzaam is. Dat betekent dat het Uwv terecht appellante per 21 april 2020 niet in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering.
Conclusie en gevolgen
5.6.
Omdat eerst in hoger beroep een deugdelijke onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit, is het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellante hierdoor niet is benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb deze schending worden gepasseerd. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van het Uwv om appellante per 21 april 2020 een IVA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6.1
De toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 3.269,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, twee punten voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal dus € 5.137,-.
6.2.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 5.137,-;
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 183,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.