ECLI:NL:CRVB:2026:56
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de voortzetting van de WIA-uitkering van appellant na melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid
In deze zaak gaat het om de voortzetting van de WIA-uitkering van appellant, die na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid door het Uwv ongewijzigd is voortgezet van 10 april 2019 tot 6 oktober 2021. Appellant stelt dat hij meer medische beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 3 december 2025, waarbij appellant werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. B.B.A. Willering, en het Uwv werd vertegenwoordigd door R.D. van den Heuvel. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht de WIA-uitkering ongewijzigd heeft voortgezet, omdat er voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing is voor de genomen besluiten. De rechtbank Amsterdam had eerder het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad onderschrijft deze conclusie. Appellant heeft geen nieuwe medische argumenten aangedragen die de eerdere conclusies van het Uwv zouden kunnen weerleggen. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht, omdat het hoger beroep niet slaagt.