ECLI:NL:CRVB:2026:56

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24/2584 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de voortzetting van de WIA-uitkering van appellant na melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om de voortzetting van de WIA-uitkering van appellant, die na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid door het Uwv ongewijzigd is voortgezet van 10 april 2019 tot 6 oktober 2021. Appellant stelt dat hij meer medische beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 3 december 2025, waarbij appellant werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. B.B.A. Willering, en het Uwv werd vertegenwoordigd door R.D. van den Heuvel. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht de WIA-uitkering ongewijzigd heeft voortgezet, omdat er voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing is voor de genomen besluiten. De rechtbank Amsterdam had eerder het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad onderschrijft deze conclusie. Appellant heeft geen nieuwe medische argumenten aangedragen die de eerdere conclusies van het Uwv zouden kunnen weerleggen. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht, omdat het hoger beroep niet slaagt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2024, 24/1448 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant, na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid, ongewijzigd heeft voortgezet in de periode van 10 april 2019 tot 6 oktober 2021. Volgens appellant heeft hij meer medische beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WIA-uitkering over deze periode ongewijzigd heeft voortgezet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als kraanmachinist/heftruckchauffeur voor 38 uur per week. Op 11 oktober 2009 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 9 oktober 2011 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 59,17%. Hierna heeft het Uwv diverse besluiten genomen over de aanspraken van appellant op een WIA-uitkering, gedeeltelijk na meldingen van toegenomen arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk in verband met een wijziging van het soort WIAuitkering.
1.2.
Appellant heeft zich laatstelijk op 27 september 2021 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 10 april 2019. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 13 april 2023 vastgesteld dat niets is veranderd in de mogelijkheden van appellant om te werken en dat zijn WIA-uitkering niet wijzigt.
1.3.
Bij besluit van 1 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Op basis van deze rapporten heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant vanaf 6 oktober 2021 recht heeft op een zogeheten WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat hij vanaf die datum 100% arbeidsongeschikt is. Van 10 april 2019 tot 15 mei 2020 en van 15 mei 2020 tot 6 oktober 2021 is de mate van arbeidsongeschiktheid 63,68%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hierbij beoordeeld of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 10 april 2019 en per 15 mei 2020 juist heeft vastgesteld.
2.1.
Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit op zorgvuldige wijze verricht. Appellant is zowel door de verzekeringsarts als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op een spreekuur onderzocht, de artsen hebben dossieronderzoek verricht en naar het oordeel van de rechtbank zijn alle medische gegevens op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling.
2.2.
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de verzekeringsartsen de beperkingen met betrekking tot de rechterschouder, -arm en -hand in voldoende mate hebben meegenomen in hun beoordeling. Appellant is zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase op deze punten ook lichamelijk onderzocht door de verzekeringsartsen. Appellant heeft niet met medische gegevens onderbouwd waarom hij meer beperkt is.
2.3.
Met betrekking tot de allergieën en de jeuk heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen op dit vlak expliciet genoemd en hiervoor ook een aanvullende beperking opgenomen. Volgens de rechtbank heeft appellant geen objectieve gegevens overgelegd die aanleiding geven om ten aanzien hiervan meer beperkingen vast te stellen.
2.4.
Het betoog van appellant met betrekking tot zijn concentratieproblemen heeft de rechtbank ook niet gevolgd. De verzekeringsartsen hebben duidelijk onderbouwd waarom er geen beperkingen zijn aangenomen voor concentratieproblemen. Appellant heeft hier verder ook geen medische stukken voor ingediend die zouden moeten leiden tot een ander oordeel.
2.5.
Ook het arbeidskundig onderzoek is volgens de rechtbank voldoende zorgvuldig. Bij het selecteren van functies is uitgegaan van de vastgestelde beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarvan uitgaande is bij het selecteren van de functies terecht geen rekening gehouden met de door appellant aangevoerde beperkingen die door de verzekeringsarts niet zijn vastgesteld. Voor het overige heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht waarom de functies voor appellant geschikt zijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat hij door zijn klachten aan zijn rechterschouder, -arm en -hand, allergieën, jeuk en concentratieproblemen alsmede in verband met problemen met het hanteren van conflicten en het uiten van eigen gevoelens, meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen en dat hij niet geschikt is voor de geselecteerde functies.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering van appellant in de periode van 10 april 2019 tot 6 oktober 2021, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de door hen getrokken conclusies. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische argumenten genoemd. Wel heeft hij een brief van 20 oktober 2015 van zijn behandelend fysiotherapeut overgelegd, maar deze brief bevat geen nieuwe informatie zoals door appellant ter zitting ook is bevestigd. Met de rechtbank wordt daarom geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en getrokken conclusies. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat de vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Uitgaande van deze vastgestelde beperkingen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht waarom appellant in staat kan worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank heeft de beroepsgronden verder afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven.

Conclusie en gevolgen

5.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah