Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:550

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/1773 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming bestuursorgaan en proceskostenveroordeling

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het Uwv. Tijdens de procedure nam het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar die tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht om veroordeling van het Uwv in de proceskosten.

De Raad verwees de zaak naar een enkelvoudige kamer en besloot geen zitting te houden, omdat partijen geen zitting wensten. De Raad oordeelde dat het Uwv reeds kosten had vergoed in de bezwaarfase, zodat alleen de kosten in beroep en hoger beroep nog vergoed moesten worden.

De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand en daarnaast het griffierecht van € 196,-. De uitspraak werd gedaan door J.D. Streefkerk op 7 mei 2026.

Uitkomst: Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

25/1773 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juli 2025, 25/1281 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 8 december 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen over het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 8 december 2025 aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde van € 934,-), in totaal € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.802,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 196,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) M.G.J. van Eck