Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:529

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/124 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens laattijdige indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 21 april 2026 uitspraak gedaan over een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022. Het hoger beroep is ingesteld door appellante, vertegenwoordigd door een professionele gemachtigde.

De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan de dag na bekendmaking van de uitspraak. De aangevallen uitspraak is op 23 december 2022 aan partijen toegezonden, waardoor de beroepstermijn liep tot 4 februari 2023. Het beroepschrift is echter pas op 20 januari 2025 ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn.

De gemachtigde voerde aan dat hij pas in januari 2025 kennis had genomen van de uitspraak en dat de termijn daarom pas toen zou zijn gaan lopen. De Raad verwierp dit standpunt omdat de termijn volgens de wet begint te lopen vanaf de dag na de bekendmaking van de uitspraak, ongeacht wanneer de gemachtigde de uitspraak daadwerkelijk ontvangt.

Omdat de gemachtigde een professionele rechtsbijstandverlener is, wordt van hem verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende termijnen en tijdig navraag doet. Het nalaten hiervan leidt ertoe dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Er waren geen bijzondere persoonlijke omstandigheden of fouten van het bestuursorgaan die de overschrijding rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling van het geschil. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens laattijdige indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

25/124 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022, 22/4005 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 21 april 2026
Zitting heeft: C. Karman
Griffier: M.G.J. van Eck
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P. van Baaren, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
2. Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend, blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Als een partij wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener dan komt diens handelen in beginsel voor risico van die partij. Een termijnoverschrijding is in een dergelijk geval doorgaans niet verschoonbaar vanwege de professionaliteit die bij beroepsmatig handelen mag worden verwacht. Op dit uitgangspunt wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan.
3. Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
4. De aangevallen uitspraak is op 23 december 2022 bij aangetekende brief aan partijen toegezonden waarbij het juiste adres van de gemachtigde van appellante is gehanteerd. De verzonden uitspraak is ook niet bij de rechtbank retour gekomen. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 24 december 2022 en geëindigd is op 4 februari 2023.
5. Het beroepschrift is op 20 januari 2025 ingediend en is dus na afloop van de beroepstermijn door de gemachtigde van appellante ingediend.
6. De gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vaker meemaakt dat aangetekende stukken niet bij hem aankomen. Hij heeft op 16 april 2024, via een Zivver bericht, aan de rechtbank gevraagd naar de stand van zaken en of er uitspraak is gedaan, maar heeft daarop geen reactie gekregen. Bij brief van 6 januari 2025 heeft de gemachtigde weer bij de rechtbank geïnformeerd naar een einduitspraak. Hierop heeft de rechtbank bij brief van 14 januari 2025, met bijvoeging van een kopie van de uitspraak, aan de gemachtigde geantwoord dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. De gemachtigde neemt het standpunt in dat de beroepstermijn pas gaat lopen vanaf dat de uitspraak van de rechtbank wordt ontvangen en dat was dus in januari 2025.
7. Het standpunt van de gemachtigde komt erop neer dat tijdig hoger beroep is ingesteld omdat de beroepstermijn is aangevangen in januari 2025. De Raad volgt dit standpunt niet. De beroepstermijn is ingevolge artikel 6:8, eerste lid van de Awb namelijk gaan lopen met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak is bekendgemaakt, in dit geval dus op 24 december 2022.
8. De gemachtigde is, als professioneel rechtsbijstandverlener, op de hoogte van de geldende termijnen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat partijen met bericht niet zijn verschenen op de zitting van 9 december 2022. De gemachtigde was dus op de hoogte van die zitting bij de rechtbank. Vaststaat dat de aangevallen uitspraak op tijd, namelijk twee weken na de zitting, is gedaan. Het ligt op de weg van de gemachtigde als professioneel rechtshulpverlener om dan eerder te informeren naar de uitspraak dan hij heeft gedaan op 6 januari 2025 of op 16 april 2024. De gemachtigde heeft dit nagelaten. Daarom wordt de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar geacht.
9. Wat de gemachtigde van appellante heeft aangevoerd, bevat dus geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De enkele stelling dat aangetekende stukken vaker niet bij de gemachtigde aankomen, is geen (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar mag worden geacht.
10. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, zodat moet worden beslist zonder verder onderzoek.
11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M.G.J. van Eck (getekend) C. Karman