Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:516

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
24/247 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45j ZWArt. 47a ZWArt. 6:17 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering per 11 maart 2021 wegens geschiktheid eigen werk

Appellant, voormalig servicemonteur koffiemachines, ontving een Ziektewet-uitkering die het UWV per 11 maart 2021 beëindigde wegens onduidelijkheid over zijn arbeidsongeschiktheid. Appellant betwistte dit en stelde dat hij door medische beperkingen niet in staat was zijn werk te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.

In hoger beroep heeft appellant nieuwe medische informatie overgelegd, maar de verzekeringsarts concludeerde dat appellant op 11 maart 2021 geschikt was voor zijn eigen werk, ondanks rugklachten die met fysiotherapie waren behandeld. De Raad volgde dit oordeel en stelde vast dat de nieuwe informatie geen relevant ander licht werpt op de situatie op die datum.

Daarnaast werd geoordeeld dat appellant geen procesbelang meer had bij een oordeel over de weigering van een ZW-uitkering per 14 juli 2021, omdat dit geen recht op uitkering zou opleveren. Het hoger beroep tegen het eerdere besluit werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Raad bevestigde het besluit van 19 november 2024 dat de ZW-uitkering per 11 maart 2021 terecht werd geweigerd.

Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is per 11 maart 2021 terecht beëindigd wegens geschiktheid voor eigen werk; het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

24/247 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 december 2023, 23/525 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de uitkering die appellant ontving op grond van de ZW terecht per 11 maart 2021 heeft beëindigd. Appellant vindt dat hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat was om zijn eigen werk te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd. Daarnaast heeft de Raad geoordeeld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een oordeel over het besluit om de ZW-uitkering per 14 juli 2021 te weigeren.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Görsültürk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Görsültürk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Het Uwv heeft op 19 november 2024 (bestreden besluit 2) een nieuw besluit genomen, waarbij het Uwv heeft geweigerd appellant per 11 maart 2021 een ZW-uitkering toe te kennen, omdat appellant per die datum geschikt is voor zijn eigen werk. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak op 18 maart 2026 voor de tweede keer op zitting behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Görsültürk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als servicemonteur koffiemachines voor twintig uur per week. Zijn dienstverband is op 1 juli 2020 geëindigd. Op 9 november 2020 heeft hij zich per 1 juli 2020 ziekgemeld. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant, zonder medische beoordeling, bij besluit van 31 december 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend per 1 juli 2020.
1.2.
Bij besluit van 11 maart 2021 heeft het Uwv de ZW-uitkering per diezelfde datum beëindigd, omdat niet kon worden vastgesteld of appellant recht had op ziekengeld. Appellant reageerde niet op brieven van 23 februari 2021 en 3 maart 2021 waarin hem werd verzocht contact op te nemen met het Uwv. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het beëindigingsbesluit van 11 maart 2021.
1.3.
Nadat appellant zich op enig moment bij het Uwv had gemeld met de vraag waarom hij geen ZW-uitkering kreeg, heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2021 aan appellant per 11 maart 2021 bij wijze van voorschot ziekengeld toegekend. Appellant is vervolgens in een brief van 7 juli 2021 uitgenodigd voor een spreekuur bij het Uwv op 14 juli 2021 en, nadat hij dat had afgezegd, op 25 augustus 2021. Ook op dit laatste spreekuur is appellant niet verschenen. Op 27 augustus 2021 heeft een arts van het Uwv gebeld met appellant. In een rapport van 1 september 2021 heeft deze arts geconcludeerd dat een beoordeling van de plausibiliteit van de ziekmelding niet mogelijk is.
1.4.
Bij besluit van 27 juni 2022 heeft het Uwv met toepassing van artikel 45j van de ZW geweigerd appellant per 14 juli 2021 in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering. De al betaalde voorschotten worden niet door het Uwv teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 19 december 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 27 juni 2022 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het niet of niet behoorlijk nakomen door appellant van de verplichting op grond van artikel 45j van de ZW ertoe heeft geleid dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant over de periode van 10 maart 2021 tot 14 juli 2021 een voorschot op het ziekengeld heeft ontvangen. Het recht van appellant op ziekengeld was per 11 maart 2021 beëindigd, omdat niet kon worden vastgesteld of appellant arbeidsongeschikt was. Uit artikel 47a, eerste lid, van de ZW volgt dat het Uwv het ziekengeld in de vorm van een voorschot betaalbaar kan stellen, indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van het ziekengeld. Aangezien het Uwv de arbeidsongeschiktheid van appellant niet kon vaststellen, zijn vanaf 10 maart 2021 voorschotten uitbetaald. Van een definitief recht op ziekengeld is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Gelet hierop heeft het Uwv het ziekengeld van appellant terecht geweigerd met toepassing van artikel 45j van de ZW. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat de gemachtigde van het Uwv op de zitting heeft toegezegd dat de inmiddels uitbetaalde voorschotten aan ziekengeld van appellant niet teruggevorderd zullen worden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat artikel 45j van de ZW louter een bevoegdheid behelst om de ZWuitkering feitelijk op te schorten totdat verzekerde zich alsnog aan een medisch onderzoek onderwerpt. Verder bestaat de uitoefening van deze opschortingsbevoegdheid alleen voor gevallen waarin betrokkene niet meewerkt aan zulk onderzoek. Betrokkene dient blijkens de wetsgeschiedenis te weigeren op een oproep te verschijnen. Het oordeel van de rechtbank miskent deze maatstaf. Appellant betwist ten stelligste ooit geweigerd te hebben aan een medisch onderzoek mee te werken.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Nadere besluitvorming
5. Appellant heeft op 11 april 2024 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. In een rapport van 16 april 2024 heeft de arts geconcludeerd dat appellant per 1 juli 2020 geschikt was om zijn eigen werk als servicemonteur te verrichten. In een rapport van 30 mei 2024 heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant ook per 11 maart 2021 geschikt was om zijn eigen werk te verrichten.
5.1.
Het Uwv heeft bij besluit van 19 november 2024 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 in zoverre gewijzigd dat daarin is geweigerd appellant per 11 maart 2021 in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering, omdat appellant per die datum geschikt is voor zijn eigen werk. De Raad zal dit besluit met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrekken in deze hoger beroepsprocedure.
5.2.
Appellant heeft in reactie op bestreden besluit 2 aangevoerd dat hij op 11 maart 2021 niet in staat was om zijn eigen werk te verrichten, zodat het Uwv zijn ZW-uitkering daarom niet per die datum had mogen beëindigen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een grote hoeveelheid medische informatie overgelegd, waaronder brieven van de dermatoloog en fysiotherapeut en afspraakbevestigingen van het ziekenhuis.

Het oordeel van de Raad

5.3.
De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 11 maart 2021 terecht heeft beëindigd en of de rechtbank terecht bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 1 en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.4.
Anders dan appellant ter zitting heeft gesteld, is bestreden besluit 2 op de juiste wijze bekendgemaakt. Niet in geschil is dat het Uwv bestreden besluit 2 naar de gemachtigde van appellant heeft gestuurd en dat deze het besluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Het Uwv heeft daarmee voldaan aan artikel 6:17 van Pro de Awb, waarin is neergelegd dat het bevoegde bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking stelt.
Beëindiging per 11 maart 2021
5.5.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij op 11 maart 2021 niet in staat was om zijn eigen werk als servicemonteur koffiemachines te verrichten. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 30 mei 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat op basis van de beschikbare medische informatie niet kan worden gesteld dat appellant op 11 maart 2021 volledig arbeidsongeschikt was voor dit werk. In deze periode was er sprake van rugklachten als gevolg van stress, waarvoor appellant fysiotherapie heeft gehad. Dit heeft hij met goede resultaten afgerond. Ondanks deze klachten is de maatgevende arbeid toch passend. Fysiek is het werk niet zwaar belastend en mentaal gezien is het niet uitdagend. Bovendien gaat het om twintig uur per week, wat betekent dat geen sprake is van volledige belasting en dat er voldoende tijd is voor recuperatie. Dat appellant later, in april 2021, ziek is geworden vanwege eczeemklachten is duidelijk en aannemelijk, maar gelet op de informatie van de huisarts was dit pas vanaf 19 april 2021. Dit is meer dan een maand na 11 maart 2021. Uit de ontvangen informatie blijkt verder dat appellant verschillende periodes heeft gehad waarbij hij aannemelijk arbeidsongeschikt was voor zijn laatst verrichte werk, maar hij was niet doorlopend arbeidsongeschikt. De verzekeringsarts kan hierin worden gevolgd.
5.6.
De in hoger beroep overgelegde medische informatie leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv kan worden gevolgd in het ter zitting uiteengezette standpunt dat het geen nieuwe informatie betreft die een ander licht werpt op de medische situatie van appellant op 11 maart 2021, de datum in geding. Een deel van de informatie, bestaande uit de brieven van de dermatoloog en het patiëntendossier van de fysiotherapeut, was al eerder in de procedure door het Uwv opgevraagd en door de huisarts verstrekt. Deze informatie was dus al bij de verzekeringsarts bekend en bij de beoordeling betrokken. Voor zover appellant in hoger beroep nieuwe informatie heeft overgelegd, geldt dat deze informatie dateert van ruim na de datum in geding en daarom niet relevant is voor de medische situatie van appellant op die datum. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellant vanaf 11 maart 2021 geschikt was voor zijn eigen werk en daarom per die datum geen recht heeft op een ZW-uitkering.
Weigering per 14 juli 2021
5.7.
Appellant heeft geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Een oordeel over de vraag of het Uwv terecht heeft besloten om appellant per 14 juli 2021 op grond van artikel 45j geen ZW-uitkering toe te kennen, kan er namelijk niet toe leiden dat hij alsnog per 14 juli 2021 recht heeft op een ZWuitkering. De verzekeringsarts heeft immers inzichtelijk gemotiveerd dat alleen sprake was van kortdurende periodes van arbeidsongeschiktheid in april 2021 en augustus 2021, maar dat appellant in de periode tussen 11 maart 2021 en 14 juli 2021 niet doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Dit betekent dat appellant per 11 maart 2021 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is niet-ontvankelijk, wegens het ontbreken van procesbelang.
6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 19 november 2024 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel