Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:507

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25/185 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering terug te komen van eerdere besluiten tot afwijzing Wajong-uitkering

Appellante verzocht in 2014 om een Wajong-uitkering, welke werd afgewezen omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. In 2019 werd opnieuw een aanvraag afgewezen vanwege arbeidsvermogen. In 2023 diende appellante een nieuwe aanvraag in met medische informatie over psychische klachten en een WLZ-indicatie, maar het UWV concludeerde na onderzoek dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om eerdere besluiten te herzien.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot een andere beoordeling van haar arbeidsvermogen op de relevante leeftijd. De Raad toetste het hoger beroep en oordeelde dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd had gehandeld en dat het besluit niet evident onredelijk was.

De Raad wees het beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding en vergoeding van proceskosten afgewezen. De nieuwe beleidsregel UWV van 1 oktober 2025 was niet van toepassing op het besluit uit 2023, zodat deze niet leidde tot een ruimer beoordelingskader.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op eerdere besluiten tot afwijzing van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/185 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2024, 24/2472 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van de besluiten van 6 november 2019 en 11 juni 2014, waarin het Uwv de aanvragen van appellante om een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Appellante vindt dat uit de informatie van Triade uit 2018 en de WLZ-indicatie van 8 maart 2021 volgt dat het besluit uit 2014 alsnog onjuist is. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van de besluiten van 6 november 2019 en 11 juni 2014.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft op 10 april 2014 verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 11 juni 2014 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat appellante meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met een door het Uwv op 22 oktober 2019 ontvangen formulier heeft appellante een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij besluit van 5 november 2019 aan appellante een zogeheten indicatie banenafspraak toegekend. Met een besluit van 6 november 2019 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering, omdat zij arbeidsvermogen heeft. Deze besluiten zijn in rechte komen vast te staan.
1.3.
Appellante heeft met een door het Uwv op 20 januari 2023 ontvangen formulier nogmaals een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Daarbij is vermeld dat appellante slaapproblemen, vermoeidheidsklachten en depressieve klachten heeft, dat zij last heeft van stress, concentratieproblemen en impulsiviteit en dat zij verward en vergeetachtig is. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van onder meer Triade van 16 april 2018, van het Centrum Indicatiecentrum Zorg (CIZ) van 8 maart 2021 en van de behandelend orthopedagoog van 17 augustus 2022. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden, dat mogelijk wel in psychische zin een zekere verslechtering is opgetreden, maar dat dit recentelijk heeft plaatsgevonden en daardoor niet meer in de voor de Wajong verzekerde periode. Met een besluit van 27 maart 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd terug te komen van de eerdere besluiten uit 2014 en 2019.
1.4.
Bij besluit van 29 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op de aanvraag van appellante heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat appellante, zoals zij ter zitting heeft bevestigd, geen gronden heeft aangevoerd tegen de zogeheten Amber-beoordeling, zodat deze verder niet wordt besproken.
2.2.
Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat de bij de nieuwe aanvraag en bezwaar ingediende medische informatie geen aanleiding vormt voor de conclusie dat de belastbaarheid van appellante per [geboortedatum] 2012/2013 (zeventiende en achttiende verjaardag) en per 22 oktober 2019 onjuist zijn ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook navolgbaar gemotiveerd dat wat in de informatie van het CIZ is beschreven over appellante meer ziet op gedrag en niet is aan te merken als een stoornis als gevolg van ziekte of gebrek. Benoemd is dat appellante de consequenties van haar handelen niet kan inzien. In hoeverre dit een gevolg is van een psychische stoornis, blijft echter onduidelijk. De informatie van de orthopedagoog van 17 augustus 2022 en de GZ-psycholoog van 22 mei 2023 bevatten geen nieuwe medische feiten over het medisch toestandsbeeld. Uit de WLZ-indicatie die door het CIZ is afgegeven en de gegevens van Triade blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat beperkingen van appellante als gevolg van de verstandelijke beperking van appellante, en dus als gevolg van ziekte of gebrek, ernstiger zijn dan destijds door de verzekeringsartsen is ingeschat. Ook kan uit de overgelegde stukken niet worden afgeleid dat de ernst van de verstandelijke beperking van appellante destijds is onderschat. In die ingediende stukken wordt onveranderd gesproken over een ‘licht’ verstandelijke beperking.
2.3.
Volgens de rechtbank is niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die het Uwv aanleiding hadden moeten geven terug te komen van de eerdere besluiten. Evenmin bestaat er aanleiding voor het oordeel dat het evident onredelijk is om niet van de eerdere besluiten terug te komen. Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft zij het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen afgewezen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat de door haar overgelegde (medische) stukken naar haar mening ondubbelzinnig wijzen op nieuwe feiten en omstandigheden. Verder heeft appellante naar voren gebracht dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat zij nooit in staat is geweest om arbeid, in welke vorm dan ook, te verrichten. Zou geen sprake zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, dan brengt de evidente onredelijkheid met zich dat appellante in aanmerking moet worden gebracht voor een Wajong-uitkering. Volgens appellante had het op de weg van de rechtbank gelegen om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat per 1 oktober 2025 de Beleidsregel Uwv Terugkomen van een vaststaand besluit (beleidsregel) in werking is getreden, dat deze beleidsregel voorziet in een ruimer beoordelingskader en dat dit in geval van appellante betekent dat er een inhoudelijke beoordeling had moeten plaatsvinden. Tot slot heeft appellante haar verzoek herhaald om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de besluiten van 6 november 2019 en 11 juni 2014 terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
Met ingang van 1 oktober 2025 is de beleidsregel in werking getreden, [1] waarin het Uwv heeft bepaald hoe het omgaat met zijn bevoegdheid om terug te komen van vaststaande beslissingen. In artikel 12 van Pro de beleidsregel is bepaald dat deze beleidsregel geldt voor primaire besluiten op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb die worden afgegeven na inwerkingtreding van dit besluit. Het primaire besluit dat in deze zaak in geding is, is weliswaar genomen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb, maar dateert van 27 maart 2023. Dit betekent dat de beleidsregel hierop niet van toepassing is. Of toepassing van deze beleidsregel voor appellante een ruimer beoordelingskader zou inhouden en had moeten leiden tot een inhoudelijke beoordeling van haar aanvraag, kan daarom onbesproken blijven.
5.4.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gegevens van Triade, het CIZ, de brief van 17 augustus 2022 van de orthopedagoog en het rapport van 22 mei 2023 van de GZ-psycholoog geen nieuwe gegevens opleveren over de gezondheidssituatie van appellante op zeventien- en achttienjarige leeftijd. Bij de beoordeling in 2014 is de verzekeringsarts uitgegaan van een licht verstandelijke beperking, waarvoor in de destijds opgestelde functionele mogelijkhedenlijst voorwaarden voor werk zijn gesteld. Ook in de rapportage van Triade uit 2018 is uitgegaan van een licht verstandelijke beperking, en dat is in de aanvraag bij het CIZ in 2018 ook als uitgangspunt genomen. Er heeft bij Triade in 2018 ook onderzoek plaatsgevonden naar het zogeheten adaptief functioneren van appellante, waaruit naar voren is gekomen dat sprake is van een matig verstandelijke beperking. Dit gegeven zegt specifiek iets over het adaptief functioneren van appellante op dat moment in 2018, maar anders dan appellante stelt, maakt dat nog niet dat in 2014 in het kader van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een licht verstandelijke beperking en dat ten gevolge daarvan te lichte voorwaarden voor arbeid zijn gesteld. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapport van 11 juli 2024, dat de overgelegde informatie uit 2022 en 2023 geen nieuwe medische feiten opleveren inzake het medisch toestandsbeeld van appellante op zeventien- en achttienjarige leeftijd, is dan ook navolgbaar.
5.5.
De rechtbank heeft daarom op goede gronden geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden en dat geen aanleiding bestaat terug te komen van de besluiten van 6 november 2019 en 11 juni 2014. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, wordt afgewezen. In wat appellante heeft aangevoerd, wordt ook geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van de besluiten van 6 november 2019 en 11 juni 2014 in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing, Staatscourant 2025, nr. 30050.