ECLI:NL:CRVB:2026:506

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25/876 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering terecht bevestigd in hoger beroep

Appellant werkte als assistent kok en meldde zich ziek in januari 2022 vanwege slaapproblemen, vermoeidheid, burn-out en schouderklachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe en beëindigde deze per 11 juni 2023, omdat hij volgens een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen met geselecteerde functies.

Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn mentale beperkingen niet juist waren vastgesteld, onder meer omdat zijn behandelend psychiater sprak van een ernstige depressieve stoornis en recidiverende episodes, terwijl de verzekeringsarts slechts een depressieve episode aannam. Ook bracht appellant een rapport in van een medisch adviseur in het kader van de Participatiewet, die hem zeer beperkt belastbaar achtte.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de uitkering terecht had beëindigd. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat appellant in hoger beroep geen nieuwe feiten of medische stukken heeft ingebracht. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 11 juni 2023 terecht is.

Uitspraak

25/876 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 maart 2025, 23/2070 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht per 11 juni 2023 heeft beëindigd. Appellant vindt dat hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat was om de geselecteerde functies te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich, via videoverbinding, laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als assistent kok voor vijftien uur per week. Nadat het dienstverband per 1 november 2021 is geëindigd heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 17 januari 2022 heeft hij zich ziekgemeld vanwege slaapproblemen, vermoeidheid en/of een burn-out en schouderklachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 mei 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 10 mei 2023 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 11 juni 2023 beëindigd, omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Met een besluit van 26 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 september 2023 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de behandelend psychiater in zijn brief van 1 april 2022 heeft geschreven dat er bij appellant sprake is van een actuele ernstige depressie, waarbij de oorzaak van de klachten zich voornamelijk op psychosociaal vlak lijkt te bevinden. De verzekeringsarts heeft evenwel geen reden gezien om op de datum in geding van 11 juni 2023 nog aan een ernstige depressie te denken. De verzekeringsarts heeft zijn standpunt gemotiveerd en zich gebaseerd op het onderzoek tijdens het spreekuur en dossieronderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 september 2023 gemotiveerd dat de conclusie van de verzekeringsarts in stand blijft. De rechtbank heeft ook overwogen dat het rapport van medisch adviseur T. Lebbink, dat appellant heeft ingebracht en dat is opgesteld in opdracht van een gemeente in het kader van de Participatiewet (Pw), niet leidt tot het oordeel dat de beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een heroverweging geconcludeerd dat niet alle geselecteerde functies passend zijn voor appellant, een nieuwe functie geduid en een mate van arbeidsongeschiktheid van 9,44% berekend. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft wel aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van appellant en het door appellant betaalde griffierecht, omdat het Uwv pas in beroep een volledig deugdelijke motivering van het bestreden besluit heeft gegeven.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft in hoger beroep herhaald dat zijn mentale klachten niet goed zijn weergegeven in de FML. De verzekeringsartsen van het Uwv zijn uitgegaan van een depressieve episode terwijl de behandelend arts van appellant is uitgegaan van een ernstige depressieve stoornis. De behandelend GGZ-arts heeft zowel in de informatie van 1 april 2022 als in de informatie van 26 juli 2023 geschreven dat er sprake is van een recidiverende episode. Dat appellant op de datum in geding geen medicatie gebruikte, wil niet zeggen dat hij geen ernstige klachten heeft. De medicatie bracht geen verbetering en daarom is appellant ermee gestopt. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij kort na de datum in geding is onderzocht door arts/medisch adviseur Lebbink. Lebbink is tot de conclusie gekomen dat appellant zeer beperkt belastbaar is. Dat deze arts heeft gerapporteerd in het kader van de Pw en niet in het kader van de Zw, betekent niet dat er aan de bevindingen van deze arts voorbij kan worden gegaan.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden uitgebreid besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten genoemd en ook geen nieuwe medische stukken overgelegd. Er is daarom geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel