ECLI:NL:CRVB:2026:506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering terecht bevestigd in hoger beroep
Appellant werkte als assistent kok en meldde zich ziek in januari 2022 vanwege slaapproblemen, vermoeidheid, burn-out en schouderklachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe en beëindigde deze per 11 juni 2023, omdat hij volgens een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen met geselecteerde functies.
Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn mentale beperkingen niet juist waren vastgesteld, onder meer omdat zijn behandelend psychiater sprak van een ernstige depressieve stoornis en recidiverende episodes, terwijl de verzekeringsarts slechts een depressieve episode aannam. Ook bracht appellant een rapport in van een medisch adviseur in het kader van de Participatiewet, die hem zeer beperkt belastbaar achtte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de uitkering terecht had beëindigd. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat appellant in hoger beroep geen nieuwe feiten of medische stukken heeft ingebracht. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 11 juni 2023 terecht is.