Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:505

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
24/1211 WIA-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:51d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening vaststelling arbeidsongeschiktheid wegens ondeugdelijke medische grondslag

Appellante was arbeidsongeschikt verklaard door het UWV met een mate van 51,43% per 22 maart 2022. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit, waarop appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank had het besluit van het UWV in stand gelaten, maar appellante betwistte dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met haar energetische klachten en beperkte belastbaarheid.

De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater, Hernandez-Dwarkasing, die concludeerde dat appellante op de datum in geding en actueel niet in staat was arbeidsmatig te functioneren vanwege een somatisch-symptoomstoornis met pijn en inadequate coping. De Raad volgde dit deskundigenrapport, dat een zorgvuldige en volledige beoordeling bevatte.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit van het UWV op een ondeugdelijke medische grondslag berust en droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herzien met inachtneming van de bevindingen van de deskundige. Omdat het een tussenuitspraak betreft, werd nog geen uitspraak gedaan over proceskosten of schadevergoeding.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw te beoordelen op basis van een onafhankelijk psychiatrisch rapport.

Uitspraak

24/1211 WIA-T
Datum uitspraak: 29 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2024, 23/2152 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 maart 2022 heeft vastgesteld op 51,43%. Anders dan het Uwv en de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De Raad volgt de door haar geraadpleegde deskundige psychiater Hernandez-Dwarkasing. Omdat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust, wordt het Uwv opgedragen dit gebrek te herstellen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter en M. Elbouch als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. van der Meer.
Dealgemene Raad heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Op 24 april 2025 heeft de Raad het onderzoek heropend en I.S. Hernandez-Dwarkasing, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 22 september 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven. Ook hebben zij op elkaars standpunten gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerkster voor gemiddeld 34,21 uur per week. Op 24 maart 2020 heeft zij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat het dienstverband met haar werkgever was beëindigd, is appellante met ingang van 23 april 2020 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 maart 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft onvoldoende functies kunnen duiden die bij de belastbaarheid van appellante passen. Om deze reden heeft de arbeidsdeskundige geen verdiencapaciteit kunnen vaststellen. De arbeidsdeskundige acht appellante daarom volledig arbeidsongeschikt. Het Uwv heeft bij besluit van 1 april 2022 aan appellante met ingang van 22 maart 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. De ex-werkgever van appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 17 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de beperking ten aanzien van het beoordelingspunt frequent reiken (4.8) te verwijderen, omdat volgens hem geen sprake is van een schouderaandoening. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verduidelijkt dat de beperking op het beoordelingspunt trillingsbelasting (3.7) geldt ten aanzien van de rug. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen aangenomen op de beoordelingspunten fysieke aanpassingsmogelijkheden (3.8), intensieve klantencontacten (2.12), voorspelbare werksituatie (1.8.2), veelvuldige storingen en onderbrekingen (1.8.3), beroepsmatig vervoer (2.11) en werken zonder verhoogd persoonlijk risico (1.8.6). Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien de eerder aangenomen urenbeperking te verruimen naar een maximale belastbaarheid van vijf uur per dag en 22 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 30 januari 2023 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens met de gewijzigde functionele mogelijkheden passende functies kunnen selecteren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis hiervan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 51,43%.
1.3.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de beroepsgronden aanleiding gezien verdergaande beperkingen aan te nemen op de beoordelingspunten samenwerken (2.9) en hoog handelingstempo (1.8.5). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 29 september 2023 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand van deze FML geconcludeerd dat de eerder geduide functies nog steeds passend zijn voor appellante. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en appellante in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de door het Uwv ingebrachte rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Appellante heeft hierna haar beroepsgronden aangevuld en nadere medische informatie overgelegd. Het Uwv heeft een nadere reactie ingediend en aanvullende rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft aanleiding gezien het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het Uwv opgedragen het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de overgelegde (medische) informatie voldoende betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de conclusies van de verzekeringsartsen over de belastbaarheid van appellante onjuist zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat een duurbelasting van maximaal 22 uur per week is gesteld, omdat er enige bandbreedte zit in de haalbare urenbelastbaarheid en dat de grens ligt bij het aantal van 22 uur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat geen sprake is van een ernstige depressie die aanleiding geeft om verdere beperkingen aan te nemen wegens energetische klachten. Dat een depressieve stoornis in combinatie met een somatoforme stoornis een (forse) beperking in de duurbelastbaarheid kan opleveren, betekent volgens de rechtbank niet dat daarvan in het geval van appellante ook sprake is. Daarnaast bestond de behandeling van appellante op de datum in geding slechts uit het nemen van medicatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet met objectieve gegevens onderbouwd dat sprake is van een schouderaandoening. De informatie over haar carpaal tunnel syndroom treft volgens de rechtbank geen doel, omdat deze informatie van ruim na de datum in geding dateert. Ook hebben de verzekeringsartsen geen melding gemaakt van arm- en handklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder gemotiveerd toegelicht dat de psychische problematiek van appellante maakt dat zij geen hoog handelingstempo in complex werk kan realiseren. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat zij geen eenvoudig, fysiek licht en rugsparend werk kan verrichten, nu het op lichamelijk gebied alleen gaat om aspecifieke rugklachten en vermoeidheidsklachten en zich geen tempoproblemen voordoen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en heeft daarom geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de geduide functies geschikt zijn voor appellante. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om aan de juistheid van de arbeidsdeskundige beoordeling te twijfelen.
2.3.
Omdat het Uwv pas in beroep een volledige onderbouwing voor het bestreden besluit heeft gegeven, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet deugdelijk was gemotiveerd en in zoverre in strijd is met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft deze schending gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, omdat een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan en daarmee aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en stelt zich op het standpunt dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar gezondheidsklachten, met name haar energetische klachten. Ter nadere onderbouwing hiervan heeft appellante een rapport van 27 februari 2025 van J.H.L. Wijers, arts, overgelegd. Daarnaast acht appellante zichzelf niet in staat de geduide functies te verrichten, gelet op het vereiste opleidings- en taalniveau. Appellante heeft verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben aanvullende rapporten opgesteld.
Het oordeel van de Raad
4. In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 maart 2022 terecht heeft vastgesteld op 51,43%.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Partijen zijn het niet met elkaar eens of bij appellante op de datum in geding sprake was van verdergaande beperkingen. De Raad heeft psychiater Hernandez-Dwarkasing als deskundige benoemd om antwoord te geven op de vraag welke beperkingen appellante had op de datum in geding en of bij de aangenomen beperkingen voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante en de onderlinge samenhang daarvan. De deskundige heeft op 22 september 2025 een rapport uitgebracht en op basis van haar bevindingen bij onderzoek geconcludeerd dat bij appellante, zowel op de datum in geding als in de actuele situatie, sprake is van een somatisch-symptoomstoornis met voornamelijk pijn. Er worden door de deskundige onvoldoende aanwijzingen gezien voor een persoonlijkheidsstoornis in engere zin. Ook voor een (persisterende depressieve) stemmingsstoornis en (gegeneraliseerde) angststoornis worden onvoldoende aanwijzingen gezien. Volgens de deskundige lijkt appellante tot op heden onvoldoende toereikend te zijn behandeld voor de somatischsymptoomstoornis. De deskundige onderschrijft de beperkingen zoals die zijn beschreven in de FML van 29 september 2023, maar voegt daar een beperking op het beoordelingspunt uiten van eigen gevoelens (2.7) aan toe. Daarnaast stelt de deskundige dat vanuit psychiatrisch oogpunt een inzet van vijf uur per dag en twintig uur per week niet als haalbaar moet worden gezien. Volgens de deskundige wordt appellante gezien haar dagelijkse zeer beperkte mate van functioneren en passieve en afhankelijk coping vooralsnog niet in staat geacht arbeidsmatig te functioneren, zowel op de datum in geding als actueel.
4.3.
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Die situatie doet zich hier voor. Het rapport van Hernandez-Dwarkasing van 22 september 2025 geeft blijk van een zorgvuldig en volledig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht, appellante op een spreekuur gezien, een anamnese afgenomen en de in dit geding beschikbare medische informatie kenbaar in haar beoordeling betrokken en meegewogen. Het deskundigenrapport is ook inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft inzichtelijk en overtuigend geconcludeerd dat appellante zowel actueel als op de datum in geding niet kon functioneren in arbeid. Daarbij acht de Raad van belang dat de deskundige afdoende heeft gemotiveerd dat er weliswaar een verslechtering van klachten heeft plaatsgevonden, maar dat de gezondheidstoestand van appellante op het moment van onderzoek niet wezenlijk verschilt van haar gezondheidstoestand op de datum in geding. De zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de urenbeperking weliswaar enigszins gewijzigd (naar vier uur per dag/twintig uur per week), maar onvoldoende gemotiveerd dat pas sinds de datum in geding een verslechtering heeft plaatsgevonden en appellante daarom op de datum in geding voor vier uur per dag en twintig uur per week belastbaar was. De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit het dagverhaal van appellante blijkt dat op de datum in geding sprake was van een beter ziektebeeld en een actiever dagverhaal, verschilt wezenlijk met wat de echtgenoot van appellante heeft verklaard tijdens het onderzoek van arts Wijers op 7 november 2024. Hieruit blijkt onder meer dat appellante sinds 2 tot 2,5 jaar niet meer kookt en dat haar dag- en nachtritme is verstoord. Ze gaat af en toe mee boodschappen doen, maar loopt dan met een rollator. Dit dagverhaal komt ook overeen met wat appellante zelf heeft aangegeven tijdens het onderzoek bij de deskundige. Ook de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er sprake is van een discrepantie, omdat de deskundige het ermee eens is dat beperkingen in rubriek 1.1 tot en met 1.7 niet aan de orde zijn, maar appellante ook niet in staat acht arbeidsmatig te functioneren, volgt de Raad niet. Dat de deskundige geen reden ziet voor beperkingen op de genoemde onderdelen van rubriek 1, aangezien zij, evenals de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen ernstige psychiatrische aandoening heeft kunnen vaststellen, maakt niet dat de conclusie van de deskundige innerlijk tegenstrijdig is. Uit de toelichting van de deskundige leidt de Raad af dat de conclusie dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden voornamelijk is gebaseerd op de energetische klachten, voortkomend uit pijnklachten, in combinatie met de inadequate coping van appellante. Dat is navolgbaar gemotiveerd en kan worden gevolgd.
4.4.
Gelet op het rapport van de deskundige Hernandez-Dwarkasing van 22 september 2025, berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag en moet appellante meer beperkt worden geacht dan door het Uwv is aangenomen. Daarom wordt aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen dit gebrek te herstellen. Het Uwv zal, met inachtneming van de conclusies van de deskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante en haar aanspraken op een WIA-uitkering per 22 maart 2022 opnieuw moeten beoordelen. Tevens wordt het Uwv opgedragen de duurzaamheid van de beperkingen van appellante te beoordelen.
4.5.
Omdat met deze uitspraak nog geen einde aan het geding is gekomen, wordt nog geen oordeel gegeven over de (proces)kostenvergoeding en het verzoek om schadevergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 17 februari 2023 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
De griffier is verhinderd te ondertekenen.