ECLI:NL:CRVB:2026:501

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25/1999 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht en ontbreken beroepsgronden

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar heeft het griffierecht van €143,- niet betaald. Na een verzoek om vrijstelling wegens betalingsonmacht, dat niet onderbouwd werd, is dit verzoek afgewezen. De Raad heeft appellante meerdere malen verzocht het griffierecht te voldoen en de beroepsgronden in te dienen, maar appellante heeft hieraan niet voldaan.

De gemachtigde van appellante trok zich terug wegens gebrek aan contact met appellante. De Raad heeft appellante vervolgens zelf in de gelegenheid gesteld het hoger beroep voort te zetten en de beroepsgronden alsnog in te dienen, maar ook hieraan is niet voldaan. Brieven met verzoeken werden aanvankelijk onjuist geadresseerd en retour ontvangen, maar na correctie bleven de gronden en betaling uit.

Gezien het niet voldoen aan de formele vereisten van betaling en het ontbreken van beroepsgronden, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

25/1999 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
20 augustus 2025, 24/6651 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 29 april 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.S.C. Grégoire hoger beroep ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 4 oktober 2025 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van €143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Op 7 oktober 2025 doet de gemachtigde van appellante een beroep op de regeling betalingsonmacht, waarbij hij verzoekt om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht, dan wel verlaging van het bedrag.
Bij brief van 9 oktober 2025 heeft de Raad appellante verzocht het bijgevoegde formulier in te vullen en binnen vier weken na verzending van deze brief retour te zenden, indien appellante meent aan de criteria voor betalingsonmacht te voldoen. Daarbij is appellante erop gewezen dat als het formulier niet op tijd retour wordt gestuurd, niet compleet is ingevuld en/of als er gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht zal worden afgewezen en het griffierecht alsnog betaald moet worden.
De gemachtigde van appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan, waardoor op 13 november 2025 het beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Gemachtigde van appellante wordt bij brief van 19 november 2025 erop gewezen op dat een griffierecht van €143,- is verschuldigd. Hierbij is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Voorts is in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 27 oktober 2025 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
De gemachtigde van appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 27 november 2025 is aan de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Op 11 december 2025 ontvangt de Raad van de gemachtigde van appellante een brief waarin hij te kennen geeft dat hij zich terugtrekt als gemachtigde, omdat hij geen contact meer kan krijgen met appellante.
Op 23 december 2025 stelt de Raad appellante in de gelegenheid het hoger beroep zelf voort te zetten, met daarbij de voorwaarde om binnen vier weken gronden aan te leveren. Ook wordt appellante per brief van 31 december 2025 erop gewezen dat een griffierecht van €143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
De adressering in deze brieven is onvolledig geweest, waardoor de brieven retour zijn gekomen.
Op onderscheidenlijk 6 februari 2026 en 13 februari 2026 worden de brieven opnieuw aangetekend verstuurd. Dit keer naar het bij de Raad bekende, volledige, adres. Daarbij is appellante erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald en de gronden niet op tijd worden ontvangen, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Op 16 maart 2026 komt de brief met het verzoek om gronden wederom retour, met als reden een dat de ontvanger niet op het opgegeven adres kon worden gevonden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald, en de gronden zijn niet binnen de termijn door de Raad ontvangen.
Ten aanzien van beide hiervoor genoemde kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander in tegenwoordigheid van R.E. Vet als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) R.E. Vet
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.