ECLI:NL:CRVB:2026:499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 51,5% en toekenning WIA-uitkering
Appellante werkte als schoonmaakster en ontving een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een toename van klachten in 2018 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid aanvankelijk lager vast dan 35%, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank vernietigde een eerdere beslissing van het UWV en beval een nieuwe beoordeling.
In hoger beroep stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid uiteindelijk vast op 51,5%, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en deskundigenrapporten. Appellante betwistte de geschiktheid van de door het UWV geselecteerde functies en de arbeidskundige beoordeling.
De Raad oordeelde dat de beperkingen en urenbeperking juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn, mede gelet op het CBBS-Handboek. Het beroep van appellante slaagde niet, het beroep tegen een eerdere beslissing werd niet-ontvankelijk verklaard. De toekenning van de WIA-uitkering blijft in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 51,5% arbeidsongeschiktheid en handhaaft de toekenning van de WIA-uitkering.