Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
24/178 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 51,5% en toekenning WIA-uitkering

Appellante werkte als schoonmaakster en ontving een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een toename van klachten in 2018 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid aanvankelijk lager vast dan 35%, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank vernietigde een eerdere beslissing van het UWV en beval een nieuwe beoordeling.

In hoger beroep stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid uiteindelijk vast op 51,5%, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en deskundigenrapporten. Appellante betwistte de geschiktheid van de door het UWV geselecteerde functies en de arbeidskundige beoordeling.

De Raad oordeelde dat de beperkingen en urenbeperking juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn, mede gelet op het CBBS-Handboek. Het beroep van appellante slaagde niet, het beroep tegen een eerdere beslissing werd niet-ontvankelijk verklaard. De toekenning van de WIA-uitkering blijft in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 51,5% arbeidsongeschiktheid en handhaaft de toekenning van de WIA-uitkering.

Uitspraak

24/178 WIA, 24/190 WIA, 24/1826 WIA, 25/1927 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
11 december 2023, 19/6746 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

Na het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar, gaat het in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 12 juli 2018 heeft vastgesteld op 51,50%. Volgens appellante kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. Stam een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Het Uwv heeft op 21 mei 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop haar zienswijze gegeven.
De Raad heeft verzekeringsarts M. Vervoort als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 6 juni 2025 een rapport uitgebracht. Appellante heeft haar zienswijze op dit rapport gegeven.
Het Uwv heeft op 12 augustus 2025 een nieuwe gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop haar zienswijze gegeven, waarop het Uwv heeft gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Voor appellante is
mr. Stam verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor 39,18 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 6 juni 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend tot en met 5 augustus 2019. De exwerkgever van appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij beslissing op bezwaar van 15 september 2017 is dit bezwaar gegrond verklaard, omdat appellante na medisch en arbeidskundig onderzoek in bezwaar minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Het Uwv heeft bij deze beslissing bepaald dat de WIA-uitkering van appellante toch wordt voortgezet tot en met 5 augustus 2019, omdat het Uwv niet ten nadele van appellante mag terugkomen van het toekenningsbesluit. Het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 15 september 2017 heeft de rechtbank bij uitspraak van 24 augustus 2018 (17/6261) ongegrond verklaard.
1.2.
Op 12 juli 2018 heeft appellante gemeld dat sprake is van een toename van de klachten. In verband hiermee heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 februari 2019 geldig per 12 juli 2018. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 17,34. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 maart 2019 besloten bij zijn beslissing van 15 september 2017 te blijven, dat de WIA-uitkering van appellante met ingang van 6 augustus 2019 wordt beëindigd, omdat zij per 12 juli 2018 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 6 november 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met bepalingen over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft psychiater D.J. Veltman als onafhankelijke deskundige ingeschakeld en heeft geoordeeld dat deze psychiater gevolgd moet worden in zijn conclusie dat appellante aanvullend beperkt is ten aanzien van zelfstandig handelen en vervoer, maar niet in zijn conclusies over het aannemen van beperkingen op doelmatig handelen en een urenbeperking. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat zij beperkt is op vasthouden van de aandacht en herinneren.
Het standpunt van appellante met betrekking tot de aangevallen uitspraak
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet geheel eens, omdat de rechtbank niet alle door de deskundige aangenomen beperkingen heeft overgenomen. Zij is van mening dat er ook grond is voor beperkingen op de items vasthouden van de aandacht, herinneren, doelmatig handelen, zelfstandig handelen en voor een urenbeperking.
Het standpunt van het Uwv met betrekking tot de aangevallen uitspraak
4. Het Uwv is het ook niet geheel eens met de uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank volgens het Uwv ten onrechte heeft geoordeeld dat beperkingen op zelfstandig handelen en vervoer zijn aangewezen.
Eerste gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2)
5. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 mei 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 12 juli 2018 heeft vastgesteld op 38,74%, appellante vanaf 6 augustus 2019 een WGAloonaanvullingsuitkering toegekend en het bezwaar van appellante in zoverre alsnog gegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag en een nieuwe FML van 9 april 2024. In deze FML is appellante ten opzichte van de FML van 11 februari 2019 aanvullend beperkt geacht op item 1.9.2; appellante is aangewezen op vaste, bekende werkwijzen (routine afhankelijk).
Het standpunt van appellante met betrekking tot bestreden besluit 2
6. Appellante is het op medische en arbeidskundige gronden ook niet eens met deze gewijzigde beslissing op bezwaar.
Inschakelen deskundige in hoger beroep
7. Gelet op het vorenstaande en omdat psychiater Veltman in zijn rapporten van 20 oktober 2021 en 22 mei 2023 heeft voorgesteld een externe verzekeringsgeneeskundige in te schakelen, heeft de Raad een verzekeringsarts als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft in haar rapport van 6 juni 2025 geconcludeerd dat er reden is voor een aanvullende beperking op item 1.6 zelfstandig handelen en op het item werktijden, die inhoudt dat appellante in staat wordt geacht maximaal zes uur per dag en maximaal 30 uur per week te werken. Voor de overige voorgestelde beperkingen, waaronder op vervoer, heeft deze deskundige geen medische grond gezien.
Tweede gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 3)
8. Naar aanleiding van de rapporten van de door de Raad ingeschakelde deskundige heeft het Uwv op 12 augustus 2025 een nieuwe gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 3), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 juli 2018 is vastgesteld op 51,5%. Aan dit besluit liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag en een nieuwe FML van 25 juli 2025. Daarin is de door de deskundige voorgestelde urenbeperking overgenomen en zijn vier aanvullende beperkingen op item 1.6 aangenomen, te weten: neemt meestal niet uit zichzelf het initiatief tot handelen, stelt zichzelf meestal geen doelen, bedenkt meestal zelf geen handelingsvarianten en besluit meestal zelf niet welke aanpak de meest geëigende is.
Het standpunt van appellante met betrekking tot bestreden besluit 3
9. Appellante is het ook niet eens met deze gewijzigde beslissing op bezwaar. Daartoe heeft appellante enkel arbeidskundige gronden aangevoerd, die hierna zullen worden besproken.

Het oordeel van de Raad

10. De Raad stelt allereerst vast dat partijen het na het nemen van bestreden besluit 3 eens zijn over de per datum in geding aan te nemen medische beperkingen. Daaruit en uit 7 en 8 volgt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het Uwv een urenbeperking had moeten aannemen en ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv een beperking op vervoer had moeten aannemen. De hoger beroepen van zowel appellante als van het Uwv tegen de aangevallen uitspraak slagen in zoverre.
11. De Raad stelt vervolgens vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb bestreden besluit 1 heeft gewijzigd. Daarna is opnieuw met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb een gewijzigd besluit genomen (bestreden besluit 3) waarmee bestreden besluit 2 is gewijzigd.
12. De Raad beoordeelt of het Uwv terecht bestreden besluit 3 over de mate van arbeidsongeschiktheid op 51,50% heeft genomen aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Deze gronden beperking zich tot de arbeidskundige beoordeling. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
12. Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies.
14. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn. De beroepsgrond dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de functies machinaal metaalbewerker en huishoudelijk medewerker geschikt voor haar zijn, gelet op de extra beperkingen die in hoger beroep zijn aangenomen op aspect 1.6, slaagt niet. Over deze beperkingen heeft – in overeenstemming met het CBBS-Handboek versie 5 van mei 2020 – overleg tussen de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden. In de rapporten van 26 september 2024 en van 6 oktober 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat het aspect ‘zelfstandig handelen’ beoordeeld moet worden in samenhang met het aspect ‘aangewezen op vaste, bekende werkwijzen’ (1.9.2). Als de functies/werkzaamheden voldoen aan het (maximale) zelfstandigheidsniveau 3, voortvloeiend uit de beperking op aspect 1.9.2, wordt er ook voldaan aan de voorwaarden in het persoonlijk functioneren in het dagelijks leven zoals verwoord bij aspect 1.6. Het aspect 1.9.2 wordt geautomatiseerd vergeleken met de eisen in arbeid. Dit betekent dat, indien de belasting in de betreffende functie een zelfstandigheidsgradatie kent tot en met niveau 3, deze functie (en/of dit aspect) automatisch als passend wordt aangemerkt. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie. Daarbij is uiteengezet dat uit het Resultaat functiebeoordeling blijkt dat de invulling van de functie machinaal metaalbewerker voor een beperkt deel aan de functionaris wordt overgelaten. In de functie huishoudelijk medewerker is volgens het Resultaat functiebeoordeling sprake van een minimale persoonlijke invulling van de functie door de functionaris. Uit het CBBSHandboek blijkt dat dit overeenkomt met respectievelijk zelfstandigheidsgradatie 3 en 2. Een nadere motivering per functie is dan ook niet nodig. Deze motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan worden gevolgd.

Conclusie en gevolgen

15. Omdat de rechtbank bestreden besluit 1 om andere redenen heeft vernietigd, kan de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, in stand blijven voor zover aangevochten. Omdat bestreden besluit 2 in hoger beroep door het Uwv niet langer is gehandhaafd, heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling van dat besluit. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is in zoverre niet-ontvankelijk. De mate van arbeidsongeschiktheid is met bestreden besluit 3 juist vastgesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is daarom ongegrond. Dit betekent dat de toekenning van de WIAuitkering aan appellante waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 51,5% in stand blijft.
16. Het voorgaande geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 4.203,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verweerschrift tegen het hoger beroep van het Uwv, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een 0,5 punt voor de zienswijze op het deskundigenrapport en tweemaal een 0,5 punt voor de zienswijze naar aanleiding van bestreden besluit 2 en 3 met een waarde per punt van € 934,-). Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 mei 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2025 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.