Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:496

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
25/807 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uwv om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij meent meer beperkingen te hebben dan door het Uwv is vastgesteld. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het Uwv vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en selecteerde passende functies.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat er geen nieuwe medische gegevens waren die het standpunt van het Uwv ondermijnden. Appellante voerde aan dat haar incontinentie, psychische klachten en medicatiegebruik meer beperkingen opleveren dan erkend, maar deze stellingen werden niet gevolgd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische beoordeling juist en voldoende gemotiveerd is. De stressincontinentie en psychische klachten zijn adequaat meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst, en er is geen reden voor een urenbeperking of extra beperkingen op concentratie en aandacht. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/807 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2025, 24/6824 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 10 februari 2023 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.A.R. Wieleman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Wieleman heeft zich daarna onttrokken als gemachtigde. Mr. M.B. Ullah, advocaat, heeft zich gesteld als nieuwe gemachtigde en heeft nadere gronden aangevoerd, waarop het Uwv heeft gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ullah. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als apothekersassistente voor gemiddeld 39,77 uur per week. Op 12 februari 2021 heeft zij zich ziekgemeld met een gebroken pols. Appellante is verder onder andere bekend met psychische klachten en met stressincontinentie. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 oktober 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 13 oktober 2023 geweigerd appellante met ingang van 10 februari 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 31 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante en meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellante en met de medicatie die zij gebruikt. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat appellante in beroep geen nieuwe medische gegevens heeft verstrekt die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stellingen dat zij in verband met haar incontinentieklachten wegens frequent toiletbezoek beperkt had moeten worden en dat zij vanwege haar psychische klachten beperkt moet worden geacht op emotionele problemen van anderen hanteren en eigen gevoelens uiten. In het rapport van 27 mei 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat er geen reden is voor een urenbeperking. De rechtbank heeft verder geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft herhaald dat de uit haar lichamelijke en psychische klachten voortkomende beperkingen zijn onderschat. Appellante is van mening dat zij, al dan niet met gebruik van incontinentiemateriaal, in de gelegenheid moet worden gesteld zichzelf te kunnen verschonen en daarom vanwege frequent toiletbezoek een beperking had moeten worden aangenomen op item 3.8 (overige beperkingen van de fysieke aanpassingsmogelijkheden) van de FML. Omdat appellante beperkt is wat betreft het beroepsmatig besturen van een voertuig, is zij ook beperkt wat betreft aandacht en concentratie. Appellante heeft aangevoerd dat zij de redenering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 27 mei 2024 dat, omdat appellante groepstherapie volgt, er ook geen reden is om beperkingen op emotionele problemen van anderen hanteren en eigen gevoelens uiten (items 2.6 en 2.7), niet kan volgen. Appellante heeft verder gesteld dat een urenbeperking op energetische gronden had moeten worden aangenomen, omdat uit de medische stukken een verhoogde recuperatiebehoefte blijkt en omdat zij medicatie gebruikt die bij haar leidt tot slaperigheid.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar rapporten van 16 juli 2025 en 6 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante haar andersluidende standpunt niet met medische stukken heeft onderbouwd. De beroepsgronden slagen niet.
5.3.
In de rapporten van 27 mei 2024 en 16 juli 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom geen reden is voor een beperking op item 3.8. De stressincontinentie waarvan appellante last van heeft, treedt op bij intra-abdominale drukverhoging zoals bij hoesten of niezen. Appellante kan gebruik maken van incontinentiemateriaal en er is daarom geen noodzaak om dat kort na het optreden van stresscontinentie het incontinentiemateriaal te wisselen.
5.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat voldoende rekening is gehouden met de psychische en lichamelijke klachten van appellente door beperkingen in de FML op te nemen ten aanzien van zwaar mentaal belastend werk en zwaar fysiek belastend werk. Toegelicht is dat de depressieve stoornis van appellante is meegewogen door het aannemen van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast is in de FML opgenomen dat zij niet ’s nachts kan werken en is aangewezen op regelmatige werktijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat geen reden wordt gezien voor het daarnaast aannemen van een urenbeperking, omdat sprake is van een matig-ernstige depressie en uit het dagverhaal niet blijkt van een slaapbehoefte overdag. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd roept geen twijfel op aan de juistheid van deze motivering. De Raad ziet dan ook geen reden om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een urenbeperking niet is geïndiceerd voor onjuist te houden. Ook is voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat beperkingen voor concentratie en het verdelen van de aandacht niet aan de orde waren. Uit de Basisinformatie Claim Beoordelings- en Borgingssysteem volgt dat een beperking in het vasthouden van de aandacht, het verdelen van de aandacht en herinneren alleen aan de orde is bij mensen met een ernstige (psychische) stoornis. Van een dergelijke ernstige stoornis is in het geval van appellante geen sprake en tijdens de spreekuuronderzoeken met de verzekeringsartsen zijn geen concentratieproblemen vastgesteld. De beperking op beroepsmatig een voertuig besturen, is aangenomen wegens medicatiegebruik, omdat dit als eventuele bijwerking heeft dat het het reactievermogen kan beïnvloeden.
5.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 februari 2026 verduidelijkt dat, in het kader van de afweging of een beperking moet worden aangenomen, op de items 2.6 en 2.7 het volgen van groepstherapie inderdaad niet doorslaggevend of van belang is, maar dat een depressieve stoornis op zich geen aanleiding is voor het aannemen van een beperking op deze items. Er is geen aanleiding om dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.
5.6.
Wat appellante heeft aangevoerd geeft verder geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.