ECLI:NL:CRVB:2026:489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met rug- en knieklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar en een nieuwe medische beoordeling bleef het besluit ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar pijn- en mentale klachten onvoldoende waren onderzocht en dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met haar beperkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, dat er geen nieuwe medische gegevens waren die tot een ander oordeel leidden, en dat appellante niet onder behandeling stond voor haar mentale klachten op de datum in geding.
De arbeidskundige beoordeling werd niet betwist in hoger beroep. De Raad concludeert dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.